Z E N  E N  D E  K U N S T  V A N  P E T A N Q U E

naar de gedachtegang van Sando Kaisen

een website-artikel in hoofdstukken, naar het boek L’esprit de la pétanque (Accarias, 2009)

 

 

Woord vooraf

Pétanque lijkt een eenvoudig volksspel: een klein houten balletje, het cochonnet, werpen en dan proberen je stalen boule zo dicht mogelijk te leggen of die van de tegenstander weg te schieten. Toch schuilt er, zoals bij elke schijnbaar eenvoudige bezigheid, een hele wereld achter die ene worp. Die wereld heeft Sando Kaisen geopend in zijn boek L’esprit de la pétanque.

Sandō Kaisen, burgerlijk Alain Krystaszek (voluit Alain Stanislas Krystaszek), is een Franse zenmonnik en een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Sōtō-zen in Europa. Hij geldt als de belangrijkste erfgenaam van de lijn van zijn meester Taisen Deshimaru in Midden- en Oost-Europa (Zen Kaisen, Slovaakse Wikipedia).
Geboren in 1952 in Noyon (Frankrijk) uit een Poolse vader, bracht hij een deel van zijn jeugd door in het communistische Polen, maakte een initiatiejourney naar China, en werd rond 1968 leerling van de Japanse zenmeester Taisen Deshimaru, die hem in 1979 tot monnik ordende onder de naam Sando Kaisen ("eenzame heremiet in de diepe berg van satori"). Vanaf eind jaren tachtig verspreidde hij de Sōtō-traditie in Polen, Tsjechië, Slowakije, Oekraïne en Rusland. In 1992 stichtte hij in de Périgord het klooster Sermon de la Rivière, en in 2005 het centrum Pic Lumineux / Ho Sho Ji bij Belvès (Zen Kaisen, Dingir)

Kaisen is dus geen gewone auteur. Hij beoefent al meer dan dertig jaar pétanque. Vanuit die dubbele ervaring — de meditatiezaal en de baan — schrijft hij over het spel als een oefenweg van zelfkennis (Boulipédia, La Vie). Het boek L’esprit de la pétanque verscheen in 2009 bij uitgeverij Accarias/L’Originel, telt 94 pagina’s en plaatst pétanque in de traditie van Eugen Herrigels Zen in de kunst van het boogschieten (The Zen of Kaisen).

Dit website-artikel volgt de gedachtegang van Kaisen, maar is vrij geordend voor deze website. De hoofdstuktitels zijn dus niet letterlijk de zijne; zij helpen de lezer om stap voor stap de zen-principes van de pétanque te ontdekken. Waar ik citaten of ideeën van Kaisen of anderen overneem, verwijs ik naar de bron. Mijn bedoeling is, zoals op de hele site, vooral mijn eigen beleving te verwoorden en niet alleen feitelijke informatie te geven. Pétanque is voor mij een geliefde bezigheid; de zen-benadering van Kaisen heeft mij doen inzien dat er meer in het spel zit dan winst of verlies.

(Adriaan de Heer)

 

1. Pétanque als oefenweg

Voor Kaisen is pétanque meer dan een spel, meer dan een sport en meer dan een wedstrijd. Het is een gelegenheid om bijzondere menselijke kwaliteiten te ontwikkelen en om beter te communiceren — met de wereld om je heen en met jezelf. Wie de baan betreedt, betreedt tegelijk het terrein van de eigen geest (The Zen of Kaisen).

Die opvatting sluit aan bij een oude zen-traditie: het gewone, alledaagse handelen als plaats van beoefening en ontwaking. Niet in de tempel, maar midden in het leven wordt de mens zichzelf gewaar. De worp van een boule kan daarom een oefening zijn in aanwezigheid, net als het snijden van een penseel, het schenken van thee of het trekken van een boog. Het gaat er niet om religieus te worden, maar om wakker te worden. Kaisen benadrukt uitdrukkelijk dat zijn boek geen godsdienst wil verkondigen, ondanks zijn monnikenleven (petanque-apprentissage).

Pétanque, aldus Kaisen, kan de mens helpen “zich te ontwaken tot zijn ware menselijke natuur”, de dagelijkse routine om te zetten in echt geluk en “een zin aan zijn leven te vinden” (petanque-apprentissage). Wie zo naar het spel kijkt, speelt niet meer alleen om te winnen, maar speelt “om zich te emanciperen, om zich in het spel te verliezen, om in een staat van concentratie, van wijsheid en van ‘ressenti’ te komen” (petanque-apprentissage).

 

2. Het speelveld als spiegel

De baan waarop we spelen is volgens Kaisen een beeld van de menselijke geest. Het terrein is nooit volmaakt gelijk: oneffenheden, grind, stof, een aflopende rand. Zo is ook de geest nooit glad en voorspelbaar. Wie op de baan stuitert door het terrein, stuitert in zichzelf door stemmingen, verwachtingen en herinneringen.

Daarom tilt Kaisen de pétanque op tot een ethiek: een wijze van handelen die de hele mens betreft. Het spel “verheft de pétanque tot een ethiek” (The Zen of Kaisen). Wie eerlijk kijkt naar hoe hij speelt — gehaast of rustig, vasthoudend of opgevend, mild of hard voor zichzelf — ziet daarin zijn manier van in het leven staan. De baan liegt niet.

In die zin is pétanque een veld van zelfkennis: de arena van het spel en de arena van de menselijke geest vallen samen. Wat zich op de baan afspeelt, is een kleine, herhaalbare oefening in het ontmoeten van jezelf — zonder versiering, zonder ontsnappingsmogelijkheid.

 

3. Lichaam, geest en adem

De kernformule van Kaisen is kort en krachtig: het is “de totaliteit ‘lichaam-geest-adem’ van de mens die gaat handelen”. In het Frans: c’est la totalité ‘corps-esprit-souffle’ de l’homme qui va agir (La Vie). Wie een boule werpt, werpt niet met zijn arm alleen. De hele mens is aanwezig: de stand van het lichaam, de toestand van de geest en de stroom van de adem vormen éé beweging.

Drie aspecten noemt Kaisen als de hoofdthema’s die zich bij de speler manifesteren (Boulipédia, The Zen of Kaisen):

  • Emoties — vreugde, teleurstelling, angst voor falen.
  • Stress — de spanning van het moeten, van het oog van de tegenstander en het publiek.
  • Verstoord gemoed — de gedachten die komen en gaan en de worp verstoren.
  • Winnaarsdrang — het verlangen om te winnen dat de zuivere aandacht verdringt.

Deze vier zijn geen fouten die we moeten onderdrukken, maar verschijnselen die we leren herkennen. Wie ze herkent, kan ze loslaten; wie ze loslaat, komt tot een concentratie die “vredig en tegelijk dynamisch” is (Boulipédia). Lichaam, geest en adem zijn geen drie dingen die we eerst apart moeten beheersen; ze zijn éé geheel dat zich vanzelf ordent zodra de storende ruis zwijgt.

 

4. De storende denkgeest

Het grootste obstakel op de baan is niet de tegenstander, maar de eigen denkende geest. Kaisen wijst op een verschil met veel andere sporten: in sporten waarbij je voortdurend in beweging bent, “stoort de gedachte niet zo erg, maar wanneer het lichaam stil staat, is het de ‘geest-gedachte’ die alle ruimte inneemt” (petanque-apprentissage). En bij de pétanque staat het lichaam stil juist vóór de worp — het beslissende moment.

Die gedachte, aldus Kaisen, heeft de neiging om:

  • altijd te klagen en zichzelf te rechtvaardigen;
  • trots en zelfvoldaan te zijn wanneer het goed gaat;
  • moeilijkheden aan de ander of aan het terrein toe te schrijven, zelden aan zichzelf;
  • twijfel te zaaien zodra er gevaar dreigt;
  • stress te fabriceren en woede te voeden;
  • de speler uiteindelijk te verstikken.

Beeldend schrijft Kaisen dat de verkeerd begrepen gedachte zich kan gedragen “als een slang die zich sluipend om de geest wikkelt” (petanque-apprentissage). De weg naar vrij spel begint daarom niet met harder proberen, maar met het stoppen van de gedachteproduktie die storing veroorzaakt. “Het stoppen van de storingverwekkende gedachte is fundamenteel” (petanque-apprentissage).

Praktisch betekent dit: de aandacht verleggen van de inhoud van de gedachten (“straks mis ik”, “wat vinden de anderen”) naar het feit dát er gedachten opduiken. Ze zien komen en gaan, zonder ze te volgen. Dat is al een eerste stap van het lichaam-geest “doorzichtig maken”.

 

5. Houding en zwaartepunt

De worp begint niet in de arm, maar in de houding. Kaisen besteedt aandacht aan het plaatsen van het zwaartepunt en de zoektocht naar het volmaakte evenwicht. Hij neemt Philippe Quintais als voorbeeld: in zijn voorbereiding maakt deze een herhalend gebaar vóór het schieten, bedoeld om het zwaartepunt te vinden en perfect in balans te zijn (petanque-apprentissage). Het ritueel vóór de worp is geen bijgeloof; het is een manier om het lichaam te laten aankomen in het hier en nu.

Kaisen vergelijkt de houding van de pétanquespeler met die van een virtuoos op het Japanse zwaard, en de gebaren op de baan met die van een kalligraaf (La Vie). In beide tradities is de houding niet uiterlijk vertoon, maar de uitdrukking van een innerlijke toestand: wie gecentreerd is in het lichaam, kan gecentreerd blijven in de geest. Een rechte, ontspannen rug, de voeten geworteld, het zwaartepunt laag en stabiel — zo wordt het lichaam een instrument dat de geest niet langer hindert maar draagt.

Het voorbereidende gebaar — de armen die de boule een paar keer laten meebewegen, de voeten die precies zoeken waar het terrein vlak is — heeft zo een dubbele functie: het vindt het fysieke zwaartepunt én het brengt de aandacht thuis. Wie zijn routine verzorgt, verzorgt daarmee zijn aanwezigheid.

 

6. De adem

De schakel tussen lichaam en geest is de adem. Kaisen wijst op “de innerlijke adem” als een van de kernthema’s van zijn boek (The Zen of Kaisen). De adem is het deel van onszelf dat we direct kunnen beïnvloeden: we kunnen haar verdiepen, vertragen, laten stromen. Daarmee beïnvloeden we meteen de toestand van de geest.

De goede methode om het mental en het lichaam te controleren, of om het mental met het lichaam te verenigen, is het bewust worden van de ademhaling (petanque-apprentissage). Voor een lange, zuivere praktijk is het bovendien zaak het persoonlijke krachtsinspannen bij het werpen zoveel mogelijk te verminderen — de worp niet te forceren maar te laten ontstaan (petanque-apprentissage).

Kaisen illustreert dit met topspelers. Henri Lacroix ademt uit op het moment van de worp (petanque-apprentissage). De uitademing op het cruciale ogenblik is geen toeval: zij ontspant het lichaam precies wanneer de beweging vrij moet zijn. Wie de boule loslaat op de uitademing, laat tegelijk spanning los. De adem wordt zo de regisseur van de worp.

Verder raadt Kaisen aan de blik in de verte op de cible te richten, maar daarbij het hele terrein te omvatten, zonder de te schieten of te plaatsen boule uit het oog te verliezen. Maar “deze aandacht op de te raken boule moet minimaal zijn in vergelijking met het feit de hele ruimte te omvatten” (petanque-apprentissage). Niet focussen met kramp, maar een wijde, rustige aandacht — gedragen door de adem.

 

7. Concentratie zonder kramp

Concentratie is voor Kaisen geen strakke, krampachtige focus, maar een toestand die “vredig en tegelijk dynamisch” is (Boulipédia). Vredig, want de storende gedachten zijn tot rust gekomen; dynamisch, want de aandacht is volledig aanwezig bij wat zich voordoet. Het is de aandacht van iemand die wakker is, niet van iemand die zich vastklemt.

Kaisen beschrijft een weg die via verschillende stadia loopt (The Zen of Kaisen):

  • Goede concentratie — vredig en dynamisch.
  • Het lichaam-geest vergeten — de dualiteit van “ik” en “wereld” valt weg.
  • Het lichaam-geest doorzichtig maken — de speler wordt helder en transparant.
  • Binnengaan in de grote Aanwezigheid — men wordt opgenomen in wat er is.
  • Focus op de innerlijke adem — gedragen door de natuurlijke stroom van binnen.

De speler die zo’n weg bewandelt, wordt “levend, scheppend en spontaan” (The Zen of Kaisen). De worp is dan niet meer een prestatie van een gespannen ik, maar het ontstaan van een beweging uit een rustige, geheel aanwezige mens.

 

8. Aanwezigheid en zazen

De bron van deze concentratie is voor Kaisen de zazen-beoefening, de zittende meditatie die hij omschrijft als “meditatie zonder object” (La Vie). Meditatie zonder object: niet concentreren op iets, maar aanwezig zijn bij alles wat verschijnt, zonder het vast te grijpen of weg te duwen.

Kaisen ontwikkelt in zijn boek een reeks begrippen die voor zowel boogschutters en pétanquespelers als voor boeddhisten vertrouwd zijn (The Zen of Kaisen):

  • Aandacht — niet afgeleid, volledig bij het moment.
  • Helderheid (lucidité) — de geest helder als water.
  • Aanwezigheid (présence) — de gehele mens aanwezig.
  • Houding (posture) — lichaam en geest in éé lijn.
  • Adem (respiration) — de stroom die alles verbindt.

Wie zazen kent, herkent in de voorbereiding van de pétanqueworp dezelfde elementen: een rechte houding, de aandacht gevestigd, de adem stromend, de geest rustig. Het “recueillement”, de stille verzameling vóór de worp, heeft voor Kaisen dezelfde kwaliteit als het gebaar van een kalligraaf die het penseel laat neerkomen (La Vie).

Een aardig detail: Christian Fazzino had de gewoonte zijn boules te schuren om storende gedachten te verdrijven (La Vie). Ook dat is zazen in het klein — een eenvoudige, herhaalbare handeling die de geest verzamelt.

 

9. Pétanque als kunst

Wie zo ver komt — storende gedachten gestopt, lichaam gecentreerd, adem stromend, aandacht aanwezig — die speelt niet meer alleen een spel. Die speelt kunst. Kaisen beschouwt topspelers als echte kunstenaars en noemt hen “ware kunstenaars” (The Zen of Kaisen). De worp wordt dan niet opgelegd maar ontstaat, gedragen door het natuurlijke momentum dat in ieder mens woont (The Zen of Kaisen).

De speler die uit deze bron speelt, is “levend, scheppend en spontaan” (The Zen of Kaisen). Dat is precies de belofte van zen: niet het opgelegde, berekende, maar het frisse, oorspronkelijke handelen. Vergelijk het met de kalligraaf: het mooiste karacter ontstaat niet door kramp maar door een penseel dat vrij is, gedragen door een geest die vrij is.

Zo verheft Kaisen de pétanque tot een ethiek en een kunst (The Zen of Kaisen). Pétanque mag dan niet je hele leven in beslag nemen; het is juist een activiteit waarop je leunt om jezelf te vinden, te verbinden en jezelf te bevestigen (petanque-apprentissage). Het geluk wordt niet gevonden door het winnen, maar door het spelen zelf — door de mens die je op de baan wordt.

 

10. Praktische toepassing

Wat betekent dit alles op de baan? De leer van Kaisen laat zich samenvatten in een eenvoudige pre-shot routine die elke speler kan beoefenen, op de club of in het toernooi:

  1. Aankomen. Neem even de tijd vóór de worp. Voel je voeten op de grond. Laat het gewicht zakken.
  2. Houding zoeken. Vind je zwaartepunt, zoals Quintais dat deed in zijn herhalende gebaar. Een rechte rug, ontspannen schouders, laag zwaartepunt.
  3. Adem volgen. Een paar keer rustig in- en uitademen. Laat de aandacht op de adem rusten, niet op de gedachten.
  4. Gedachten zien. Opduikende gedachten (“straks mis ik”, “wat vindt de ander”) zien komen en gaan, zonder ze te volgen.
  5. Wijde blik. Kijk naar de cible, maar omvat met de blik het hele terrein — niet krampachtig focussen.
  6. Loslaten op de uitademing. Laat de boule los op de uitademing, zoals Lacroix. Niet forceren, laten ontstaan.
  7. Nabeschouwen. Na de worp even stil staan. Niet oordelen, alleen kijken: was ik aanwezig?

Een paar reflectievragen die je na een partij kunt stellen, in de geest van Kaisen:

  • Was mijn aandacht bij de worp, of bij de uitslag?
  • Welke gedachten kwamen op vóór het cruciale moment? Heb ik ze gevolgd of zien gaan?
  • Was mijn lichaam in evenwicht, of gehaast?
  • Hoe was mijn adem? Diep en rustig, of hoog en snel?
  • Heb ik gespeeld uit vrijheid of uit de wens te winnen?

Zo wordt elke partij een oefening in aandacht, en elke worp een kleine les in aanwezigheid. Niet de overwinning is het doel, maar de mens die je op de baan wordt — levend, scheppend en spontaan.

 

Bronnen

Sando Kaisen, L’esprit de la pétanque, Accarias/L’Originel, 2009, 94 pagina’s, ISBN 9782863161678. Het boek werd geraadpleegd via beschrijvingen op:

De in dit artikel gevolgde hoofdstukindeling is een vrije ordening van de gedachtegang van Kaisen voor deze website; zij reproduceert niet letterlijk de inhoudsopgave van het boek.

Uw reactie op dit artikel is welkom; u kunt reageren via e-mail door hier te klikken.

terug naar de inhoudsopgave

spiridoc.nl