Johannes Willem (Johan) Slager

Voorbeeld van een bekeringsgeschiedenis

Johannes Willem (Johan) Slager (Sint-Maartensdijk, 8 februari 1901 – Werkendam, 4 januari 1982) was
predikant van de Oud Gereformeerde Gemeente in Nederland onder andere in Stavenisse.
Slager werd, zoals hij later vertelde, onkerkelijk opgevoed, maar op 16-jarige leeftijd krachtdadig in het hart gegrepen.
Na zijn bekering groeide een band met ouderling L. J. Potappel van de zelfstandige oud gereformeerde gemeente te Stavenisse.
Slager werd daar in 1928 diaken en in 1936 ouderling. Hij was brandstoffenhandelaar in het dagelijks leven.

Kerk van de Oud-gereformeerde gemeente te Stavenisse

In 1953 maakte Slager in Stavenisse de watersnoodramp van dichtbij mee. Zijn vriend Leendert Johannes (Leen) Potappel kwam hierbij om het leven. Leendert Johanneswas een Nederlandse ouderling binnen de Oud-Gereformeerde Gemeente in Stavenisse. Hoewel hij geen predikant was, had hij groot gezag in dit kerkgenootschap.
Na de ramp werd Johannes Willem (Johan) Slager lerend ouderling, dat wil zeggen dat hij ook af en toe preekte. Hij voltooide de catechismusverklaring van Justus Vermeer, waaraan Potappel was begonnen. Bijna negen jaar later beriep de gemeente Stavenisse haar oefenaar tot predikant. Op 23 februari 1962 werd hij door ds. Joh. van de Poel bevestigd als predikant in Stavenisse met de woorden uit het Evangelie volgens Mattheus 28:19 en 20. In de avonddienst deed ds. Slager zijn intrede met de woorden uit Prediker 11:6. In 1965 nam ds. Slager een beroep aan naar de Oud-Gereformeerde Gemeente te Rijssen. In 1975 ging hij naar zijn laatste gemeente, Werkendam, waar hij in 1982 overleed.

Profetie van Slager
Ds. Slager is binnen bevindelijk gereformeerde kringen vooral bekend geworden door de zogeheten profetie van Slager. Op zondag 25 januari 1953 had ouderling Slager een preek uitgezocht over Simeon en Anna, beiden voorkomend in het Evangelie volgens Lucas 2:25-38. Hij voelde zich echter gedrongen een biddagpreek te lezen van ds. Smytegelt over Psalm 119, vers 120: Ik heb gevreesd voor Uw oordelen. Aan het eind van de dienst deelde hij de gemeente mee niet te weten waarom en waartoe hij deze preek moest lezen, maar wel voelde dat er iets vreselijks stond te gebeuren. Op de kerkgangers maakte dit alles diepe indruk. Velen zaten die zondagavond voor het laatst in de kerk: in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 kwamen 153 inwoners van Stavenisse om het leven door de watersnoodramp.

HIERNA VOLGEN DE PAGINA'S 3 TOT 7 UIT DE
LEVENSSCHETS VAN DOMINEE JOHANNES WILLEM SLAGER
MET ZIJN BEKERINGSGESCHIEDENIS


DE COMPLETE LEVENSSCHETS IS TE VINDEN OP THEOLOGIENET

 

 

LEVENSSCHETS JOHANNES WILLEM SLAGER

EN

CHRISTUS DE WARE VRIJSTAD


De bevindelijke gangen die God met Zijn kinderen houdt,

Toegelicht volgens het voorbeeld van de vlucht naar de vrijstad,
het verblijf in de voorstad en de vrijstad
en het weer Thuiskomen
bij de Drie-enige God.

GESCHREVEN DOOR JOHANNES WILLEM SLAGER

Johannes Willem Slager, geboren 8 februari 1901 te Sint Maartensdijk. Op dertienjarige leeftijd verhuisde ik naar Stavenisse, geheel vervreemd van God en Goddelijke zaken, zonder enige godsdienst.
Op zestienjarige leeftijd werd ik krachtdadig in het hart ge¬grepen, en inwendig geroepen. [Vrijdag 26 januari 1917, klokslag elf uur, bij de hervormde kerk in Stavenisse.] Hoewel ik geen bekering wilde, werd ik overtuigd en kreeg ook overbuiging des harten, en werd uit de duisternis geroepen tot Gods wonderbaar licht.
Op zeventienjarige leeftijd werd mij na een zware weg van schuldgevoel en gramschap des Heeren, het zalig worden geheel onmogelijk en dat met deze woorden: Wie zal een reine geven uit de onreine? niet een. Daar bleef niets over, dan Gods recht te billijken en goed te keuren, ik had een eeuwige straf verdiend.
Drie dagen later werd de weg der zaligheid ontsloten door middel van een kind des Heeren, die ons ging vertellen dat niet één volkomen waar is, maar dat God eens een wonderwerk gedaan heeft. Dat er eens Eén geboren is uit een heilige maagd, Eén die zon-der zonde was.
Door die onderwijzing braken de banden, en kreeg ik een ruime ontsluiting in en door het geloof in deze ene reine Heere Jezus. Toen kon ik nog zalig worden door Hem, die ene Naam onder de Hemel gegeven, en dat met behoud van Gods heilig recht en vlekkeloze deugden.
Op achttienjarige leeftijd werd alles weer weggesloten wat er was gebeurd, en kreeg ik te zien dat een bedekken van schuld geen vergeving was en dat verbreking der banden geen staatsoplossing was.
Op een zondagavond werd het onmogelijk, met deze woorden: Met alle deze is Zijn toorn niet afgekeerd, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. Acht dagen hebben deze voelbare en onverklaarbare banden geduurd, totdat op een zondagavond het op een eind liep, en ik op een stil afgezonderd plaatsje kwam op zolder, en de vraag in mij kwam, of ik zou willen dat God afstand van Zijn heilig recht zou doen, om mij te behouden. Daar kreeg ik zo een liefde in mijn hart tot Gods heilig recht, dat ik het recht Gods toe mocht vallen en het liever kreeg dan mijn behoudenis. Ik dacht onder het toevallen van Gods heilig recht, dat ik zo wegzonk. Toen kwam er een Persoon tussenbeide, en ik hoorde klinken in mijn ziel: Vader ik wil niet dat deze in het verderf nederdale, Ik heb verzoening gevonden. Daarop week Gods gramschap en on¬genoegen, viel mijn schuld weg, daalde er een vrede in mijn hart en riep ik uit: O, God wat is dat. En met kracht kwam in mijn hart: En dit zal Mij zijn als de wateren Noachs, toen Ik zwoer dat de wateren Noachs niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.
Daar zonk weg, eeuwige toorn verdiend, en nu te vernemen dat God nooit op mij zal toornen. Het was midden in de nacht, maar ik kon niet in huis blijven en liep naar mijn vriend, onze voorganger om hem dat nieuws mede te delen. Hij was er verblijd mee, en was mij daarna weer tot onderwijs.
Het was alles nieuw, en alles was Vrede. Ik kon mijn arbeid niet verrichten, maar heb tot dinsdagmiddag op bed moeten liggen, vanwege de liefde Gods.

Op 20 maart 1923 heb ik belijdenis afgelegd, nadat ik enige jaren op de catechisatie was geweest bij onze Voorganger. Kort daarop ben ik met anderen bevestigd door de Weleerw. Ds. Fraanje.
In het begin van 1928 ben ik in deze gemeente gekozen, met algemene stemmen op één na, tot Diaken, en bevestigd door Ds. J. Fraanje. In 1936 gekozen tot ouderling, en bevestigd door Ds. J. Fraanje.
In 1936 kreeg onze gemeente een nieuw kerkgebouw, daar het oude kerkgebouw veel te klein was geworden. Langs wonderlijke wegen is dat gebouw verkregen, en trots oorlogsdagen en watervloed staat het er nog en is het bewaard tot op heden.

In het jaar 1947, op 13 maart, behaagde het de Eeuwige Verbonds Jehovah mijn ziel op te lossen in een Enig, Drie-enig God, met geloofsbewustheid. In die nacht van 13 maart mocht ik in vier uren tijds, van 12 tot 4 uur, meer leren dan in de 28 jaren die achter lagen. Waarin wij gedagvaard werden voor de Rechter van hemel en aarde. Toen moest ik God ontmoeten zonder een Borg, en zonder genade in bewustheid.
O, dat zalig verloren gaan in de omhelzing van het heilig recht van Gods Majesteit. Verenigd met Gods recht, mijn leven verlie¬zen, in de ondertekening van mijn eigen doodvonnis, waar niets overbleef dan met Gods recht verenigd (nog buiten de ver-zoening). Niets overgehouden dan schuld en, oordeel, en een on¬verklaarbare liefde; geen goede werken, geen zucht, geen traan, zelfs niet vanwege de waardigheid des geloofs. O, dat verloren gaan zonder reddingsmiddel in het oog, ook geen tollenaars gebed, geen gedachte over hemel of hel, maar het zuiver met God eens te zijn in het eeuwig heilig recht. O, dat wonder waar ik niet een Borg kon omhelzen, maar het heilig recht mocht omhelzen en daar afgesneden werd van alle verwachting.
Daar openbaarde zich de Heere Jezus, als een schuld overnemende en schulduitdelgende Borg en Voorspraak. Daar werd ik met God, de Rechter verzoend, door de dood des Zoons Gods. Daar werd ik vrijgemaakt door de Zoon, op grond van Zijn vrijkoping, en werd één plant met Christus in de gelijkmaking Zijns doods, en daarna één plant in de gelijkmaking Zijner opstanding.
Daarop werd ik door en met Hem de Vader voorgesteld ais met een toegerekende, een geschonken, een aangenomen en toegeëigende gerechtigheid, een gerechtigheid die alleen redt van de dood.
De Rechter sprak mij daarop vrij. O, die Vrijspraak des Rechters: Ik gedenk uwer zonden niet meer, maar werp ze achter Mijn rug in een zee van eeuwige vergetelheid.
Daaruit vloeide een vrede Gods die alle verstand te boven gaat. Een vrede met de wet, nu voldaan, verhoogd en verheerlijkt, nu ook het recht der wet vervuld was in mij. Een vrede met de consciëntie, geen veroordeling meer, geen zon¬den meer. Mijn schuld niet alleen uit Gods boek gedaan, maar ook uit mijn consciëntie. Een vrede met de engelen. Een vrede zelfs met de schepselen.
Daarna die verzegeling des Heiligen Geestes, Die kwam goedkeuren en verzegelen het werk des Zoons, als Vrijkoper, Vrijmaker en Verlosser op grond van bloed en gerechtigheid. Hij verzegelde de Vrijspraak des Vaders. Hij drukte het zegel van goedkeuring op en in mijn consciëntie.
Daarna mocht ik, de andere dag ontvangen het zalige voorrecht om niet alleen een Verzoend God te kennen in de hemel, maar ook een Verzoend Vader. Waar Immanuël, Die ons geëigend had met ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid, ons als een lelie-blank gewassen had door de kracht Zijns bloeds en mij geheel gekleed en versierd terug bracht bij Zijn Vader, Die mij aannam uit Zijn hand als Zijn kind. O, dat zalige kindschap, kind Gods uit kracht van eeuwige uitverkiezing, kind uit kracht van Wedergeboorte in een engere zin, kind uit kracht van aanneming, uit genade, om Christus' wil.
Daar was Christus verblijd dat Hij dat verloren schaap nu behouden thuis mocht brengen en aan de Vader geven. De Vader verblijd met het aannemen van Zijn kind: Mijn Hefsibah. Het kind verblijd dat het nu een plaats ontving in des Vaders armen en hart.
Daar ging ook God de Heilige Geest het kindschap verzegelen en getuigen met onze geest: Abba Vader. O, die heerlijke Naam des Vaders. Wat was het hier een verliezen in eeuwige verborgenheden, maar ook in de eenvoudigheid van Gods werken. Hoe elke Persoon Zijn eigen werk doet en bevestigt. Het was volkomen waar in ons hart:

Laat ons alom Zijn lof ontvouwen:
In Hem verblijdt zich ons gemoed,
Omdat wij op Zijn Naam vertrouwen,
Die naam, zo heilig, groot en goed.
Goedertieren Vader, Milde Zegenader,
Stel Uw vriend'lijk hart,
Op Wiens gunst wij hopen,
Eeuwig voor ons open;
Weer steeds alle smart.

(Psalm 33:11)

Wat was dat een zalige oplossing, een eeuwige Vader, en ik eeuwig Zijn kind. Een erfgenaam en een mede-erfgenaam met Christus. Eerst een ziele-rust in de Borg. En nu ziele-rust in het hart des Vaders. Daarna kreeg ik nog een zalige Verbonds-rust waar ik met Christus en alle geschonken weldaden, ingeleid werd in dat eeuwige Verbond der genade, en een Bondgenoot werd gemaakt. Ik mocht daarna in de Oorsprong der zaligheid eindigen: De Eeuwige God zij U tot een woning. Ons leven met Christus verborgen in God.
Ik had graag heengegaan naar dat Vaderhuis daar boven, om in die volle gemeenschap te mogen leven.

Maar de Heere openbaarde mij daarna, dat ik nog wat moest strijden en in Gods kerk nog een werk moest gaan doen waar ik niet op had gerekend. Om onder vrienden en vijanden te gaan spreken, dat God goed en recht is.
Veel strijd is daaraan verbonden geweest, wat ik zal voorbijgaan.
In 1953, op 1 februari kwam die geweldige watervloed over ons land, waar ook van Stavenisse een groot gedeelte onder water kwam. Daarbij zijn 152 mensenlevens weggenomen en veel vee, en werd er grote schade aangericht. Onder de omgekomenen waren ruim 80 mensen uit onze kerk, ondermeer ook onze zielevriend en voorganger, L. J. Potappel en zijn huisgenoten, die aanwezig waren.

Ingevoegd: Op zondag 25 januari 1953 had ouderling Slager een preek uitgezocht over Simeon en Anna. Hij voelde zich echter gedrongen een biddagpreek te lezen van ds. B. Smytegelt over Psalm 119 vers 120: Het haar mijns vleses is te berge gerezen en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
Aan het eind van de dienst deelde hij de gemeente mee niet te weten waarom en waartoe hij deze preek moest lezen, maar wel voelde hij dat er iets vreselijk stond te gebeuren. Op de kerkgangers maakte dit alles diepe indruk. Velen zaten die zondagavond voor het laatst in de kerk, in de nacht van 30 januari op 1 februari 1953 kwamen 153 inwoners van het dorp om het leven door de watersnoodramp.

Op dinsdag 10 februari werd het lichaam van Potappel gevonden en vier dagen later op sobere wijze ter aarde besteld in een massagraf in Bergen op Zoom. De latere predikant L. Gebraad sprak over de woorden uit Psalm 116 vers 15: "Kostelijk is in de ogen des Heeren de dood Zijner gunstgenoten".
Toen enkele maanden later het land op Tholen weer drooggevallen was, is Potappel met vele medeslachtoffers in Stavenisse herbegraven. Het is bekend dat hij in zijn diensttijd de schijnbaar profetische woorden geschreven heeft: "Al zou ik ook zelf in de oordelen moeten omkomen, dan zou ik nog Gode niets ongerijmds toeschrijven". Op hem zijn de woorden van de psalmist van toepassing: "Let op de vrome, en zie naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn".

In dat rampjaar stond ik alleen als ouderling, en was heel wonderllijk in het midden der wateren bewaard gebleven met mijn gade.
Door de omstandigheden moest ik in 1953, op 27 mei, beginnen met een rouwdienst te houden in ons kerkgebouw, wat weer zover hersteld was na de watervloed. In een stampvolle kerk mocht ik spreken uit Psalm 93: De Heere regeert, enz. De rivieren verheffen o Heere, de rivieren verheffen haar bruisen; de rivieren verheffen hare aanstoting. Doch de Heere in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige baren der zee.
Vanaf het jaar 1953 ben ik Lerend-Ouderling geweest in deze gemeente, terwijl ook andere gemeenten bediend zijn.

Na vele en zware beproevingen, ben ik bevestigd op 23 februari 1962 als Herder en Leraar, door Ds. Joh. van der Poel, over Mattheus 28: 19-20.
Aan de handoplegging namen deel: Ds. Toes, die sprak: Indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods; indien iemand dient, die diene als uit kracht die God verleent, 1 Petr. 4: 11a;
Ds. du Marchie van Voorthuysen, die sprak: Predik het Woord, houd aan tijdiglijk, ontijdigiijk, wederleg, be¬straf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer, 2 Tim. 4: 2;
Ds. Mieras, die sprak: Zijt getrouw tot de dood, en Ik zal U geven de kroon des levens, Openb. 2: 10b.
Waarna de bevestiger Ds. van der Poel sprak: Mijn God vervulle naar Zijn rijkdom al Uw nooddruft, in heer¬lijkheid, door Christus Jezus. Fillipp. 4: 19.
Hierna werd de bevestigde Leraar staande toegezongen Psalm 134 vers 3:

U zal de Heer', die eeuwig leeft,
Die hemel en aard gemaakt heeft,
Uit Sion met groot overvloed
Zegenen met allerlei goed.

(berijming van Petrus Datheen)

Des avonds werd de intrede gedaan in een stampvol kerkgebouw over Prediker 11: 6, daarop zijn verschillende toespraken ge¬volgd, eerst van Ds. B. Toes,
daarna van Ds. Mieras,
daarna Ds. du Marchie van Voorthuysen,
daarna van Burgemeester Sluymers uit Stavenisse en
daarna van diaken L. Eerland,
welke na zijn toespraak de gemeente verzocht staande hun leraar toe te zingen uit de 121e Psalm het 2e en het 4e vers:

God zal niet laten uwen voet
Struikelen, want altijd
Waakt Hij en u bevrijdt.
Hij slaapt niet, die Israël hoedt.
Maar waakt aan alle zijden,
En sluimt tot gene tijden.

God behoedt u voortaan van kwaad;
Hij zal uw ziel voorwaar
Behoeden voor gevaar;
En als gij uit- of ook ingaat,
Zal Hij u steeds bevrijden
En met gaven verblijden.

(berijming van Petrus Datheen)

DE COMPLETE LEVENSSCHETS IS TE VINDEN OP THEOLOGIENET

Home


© 2025 AdH  |  Laatst bijgewerkt: 27 oktober 2025