Leendert Johannes Potappel

(Stavenisse, 1882 - 1953)

Zijn bekeringsgeschiedenis

Hier volgt een gecontextualiseerde samenvatting van **de bekering van Leendert Johannes (Leen) Potappel**, gebaseerd op de historische levensbeschrijvingen — waaronder de biografische schets in de bundel *Leendert J. Potappel — Zijn leven en 62 brieven* die ook op *Theologienet.nl* wordt vermeld en waarvan fragmenten bewaard zijn gebleven.

Leendert Johannes Potappel werd geboren op 27 maart 1882 te Stavenisse, Zeeland, als zoon van Marinus Potappel en Johanna Suurland als oudste van vijf kinderen. Al op zeer jonge leeftijd werd zijn aandacht door iets wat hij hoorde als een kind diepgaand geraakt. Als kind stond hij bekend als melancholiek, teruggetrokken en stil. Vanaf zijn kleutertijd tobde hij met diverse geloofsvragen. Toen hij vier jaar oud was, luisterde hij bij zijn grootmoeder naar een gesprek tussen een man — een klokkenmaker — en zijn grootmoeder over eeuwigheid, zonde en God. Die woorden «zonken in zijn hart» en legden de eerste, blijvende indruk van de ernst van het eeuwige leven en van schuld voor God in zijn jonge ziel. Dit markeert het begin van wat later als *bekering* zou worden verstaan: een ontwaakte gewaarwording van de ernst van zijn zondige staat en de realiteit van God’s oordeel en genade. Op twaalfjarige leeftijd durfde hij te zeggen dat hij de waarheid van het geloof had ingesloten in zijn hart en behouden was, iets wat op een zo jeugdige leeftijd voor bevindelijk-gereformeerde kringen uitzonderlijk is. Kort na deze bekering overleed zijn moeder, waarna hij deels werd opgevoed door zijn grootmoeder. Potappel werd vervolgens op jonge leeftijd ouderling van de Oud-Gereformeerde Gemeente in Stavenisse.

Potappel is nooit getrouwd, wel woonden zijn zuster en haar gezin bij hem in. Tijdens de Watersnood van 1953 werd het huis, waarin Potappel zich met zijn zus en haar gezin verschanst had, verwoest. Op 10 februari 1953 werd zijn lichaam gevonden. Hij werd aanvankelijk begraven in Bergen op Zoom, maar later herbegraven in een massagraf in Stavenisse. Op het oude kerkhof staat een eenvoudige gedenksteen met daarop de naam van Potappel en van diens nichtje, dat ook omkwam bij de ramp.

Potappel spreekt velen nog steeds tot de verbeelding. Na Potappels dood verschenen er ook verschillende biografieën over hem. Daarnaast gaf boekhandel Den Hertog uit Houten een briefwisseling tussen Potappel en Krijn van Gorsel, geschreven in de Tale Kanaäns, uit. In 2002 schreef Coby Visser-Sluiter het jeugdboek Een jongen uit Stavenisse, dat vertelt over de jeugdjaren van Potappel.

Kerkgebouw Oud-Gereformeerde Gemeente in Stavenisse

Potappel zelf beschreef hoe dat vroege contact met religieuze taal en eeuwige zaken zijn spel en kinderlijke onbezorgdheid verdrong; hij kon zich nauwelijks meer in het eenvoudige plezier van het kind-zijn vinden, omdat zijn ziel «beschouwd» was door die ene gewaarwording van een eeuwige God.

Het moment van bekering

De later gepubliceerde biografische schets vertelt dat het beslissende moment van geestelijke verandering niet een spectaculaire, éénmalige ervaring was, maar toch een duidelijk moment in zijn jeugd had. Toen hij bijna twaalf jaar oud was, hoorde hij een verhaal van een vrouw die in diepe innerlijke overtuiging overgave had gevonden aan God — een overtuiging die hij zelf nog niet kende. Het besef dat hij het ontbrekende, namelijk vrede met God door Christus, nog nooit had ervaren, maakte zijn leven *onverdragelijk* voor hem.

Een passage uit zijn bekeringsbeschrijving:

"Toen hij tot de leeftijd van veertien jaar was gekomen, werd hij verwaardigd om zijn kindschap opgelost te leren kennen. Hij had nu wel op zijn twaalfde jaar een verzoend God leren kennen, maar nog geen verzoende Vader. En dat werd hem toen geschonken, om door zijn Oudste Broeder als "Goël" geheel gewassen en gedekt en versierd niet alleen terug gebracht, maar nu ook overgegeven van de Zoon aan de Vader, alwaar hij nu kind van God werd, uit kracht van aanneming.

Hij was kind wegens eeuwige verkiezing, kind wegens wedergeboorte maar werd het hier uit kracht van overgift en aanneming met volle geloofsbewustheid. Waar hij toen die witte keursteen ontving met een nieuwe naam daarop, die niemand kan lezen, dan die hem ontvangt. Hij kreeg toen een verzoende Vader in de Hemel en de Geest des Vaders ging toen getuigen met zijn geest: Abba, Vader !
E n wanneer de Heilige Geest het kindschap ging verzegelen, wat was dat een onuitsprekelijk voorrecht voor hem.
Nu was hij eeuwig kind van God, een erfgenaam Gods en een medeërfgenaam van Christus. Vele zoete uitlatingen van die Vaderlijke Liefde Gods, mocht hij toen genieten en proeven.

Toen hij de leeftijd mocht bereiken van achttien jaren, behaagde het dat Hoge Wezen, hem een thuiskomen te schenken voor de eeuwigheid. Vanaf zijn zeventiende jaar leefde hij meer met de weldaden, dan met de God van die weldaden. Dit merkte hij zelf niet, maar de oude vromen gingen dat opmerken. Zijn oude geestelijke moeder werd als middel gebruikt om hem dat geestelijke afhoereren af te leren. Eens op een keer kwam hij bij haar en hij wilde weer zoals hij gewoon was over de weldaden praten, maar toen zeide zij: "Mijn jongen, wordt het je nog niet moe om van elke weldaad een man te maken?" enz.

O, wat werd hij beschaamd! Toen heeft hij een tweede bekering van node gehad. Niet dat de wereld dat aan hem zag, maar alleen het geoefend leven in de kerk. Hij is toen verwaardigd geworden, om een overgang te leren kennen in het Eeuwige Verbond der Genade, om nu niet alleen een inleiding en een onderwijzing uit dat verbond te ontvangen, want dat lag er al enige jaren, maar om nu een partij van dat Verbond gemaakt te worden en in de sluiting en in de overgang des Verbonds opgelost te mogen worden in een Enig en Drie Enige Verbonds God, waar hij toen ontving een zalige Verbondsrust.

Daarna werd hij verwaardigd om met alle ontvangen heilsweldaden, ja zelfs met Christus als de verdienende Oorzaak, in de Gemeenschap des Heiligen Geestes, te mogen zakken in dat Eeuwige Soevereine Wezen. Ja hij werd teruggebracht waar hij van eeuwigheid had gelegen, in die eeuwige Soevereiniteit Gods.
Hier kreeg hij nu een thuiskomen in het Wezen: "De Eeuwige God zij u tot een woning".

Daarna kreeg hij kennis aan het geestelijk huwelijk met Immanuë1. Nu werd hij door Eén Vader, als zuster van de Oudste Broeder, aan deze tot bruid gegeven, Die hem aanvaardde als een geschonken lelieblanke bruid uit 's Vaders hand. Nu mocht hij Immanuë1 als zijn Bloedbruidegom omhelzen, wat verder gaat als ondertrouw.

Hier was het voor hem waar: "Uw leven is met Christus verborgen in God." O toen is hij dronken geweest van de Liefde Gods. De uitlatingen van die Liefde waren zelfs zó sterk, dat hij het niet dragen kon, zodat zijn aardse tabernakel verzwakte. Hij moest soms op de grond gaan liggen op een kussen, vanwege de uitlating van Gods Liefde.
Hij heeft toen in zijn lichaam een zwakte gekregen, zodat hij soms wel eens drie of vier uur buiten zijn bewustheid was."

Op een dag, rond eind april 1894, wandelde hij naar de zeedijk bij Stavenisse, worstelend met de diepe innerlijke spanning tussen besef van schuld en het verlangen naar vrede met God. Hij herinnerde zich later dat het leek alsof de tijd stilstond. Toen hij weer tot zichzelf kwam, ervoer hij een intense innerlijke vreugde, alsof «een nieuwe hemel en een nieuwe aarde» voor hem waren opengegaan — een klassieke manier om de *inwendige vrede in God* te beschrijven.

Dit moment markeert zijn bekering: de overgang van innerlijke strijd tot een bewust gewaarzijn van vrede met God, een beleving die in bevindelijk-gereformeerde tradities gezien wordt als het moment van *zaligmakende overtuiging*, het besef dat Christus de vrede met God heeft bewerkt.

Verdere verdieping van genade

Maar de biografie beschrijft dat zijn bekering niet abrupt stopte bij die eerste ervaring. Twee jaar later, op zijn **veertiende**, kreeg hij — zoals de biografen het verwoorden — ook het besef van God als een liefdevolle *Vader*. Niet alleen was hij innerlijk overtuigd van vrede met God door Christus, maar hij begon ook een bewuste realisatie van zijn identiteit als kind van God te ervaren — een diepere, relationele dimensie van het geloof die verder strekt dan de eerste overtuiging alleen.

In klassieke bevindelijk-gereformeerde termen zegt men dat hij toen begon te ‘leven in de werkelijkheid’ van wat hij eerder geloofd had, een innerlijk ervaren van adoptie tot kind van God.

Praktische uitwerking in zijn leven

Na zijn bekering ontwikkelde Potappel zich tot een man met een opmerkelijk consistent geestelijk leven: hij las bij voorkeur de *oudvaders*, bidde intens en hield zich bezig met het geestelijk welzijn van anderen. De brieven die hij schreef aan vrienden en dorpsgenoten getuigen van zorg om hun geloofsweg en een verlangen hen steeds weer naar Christus en een bewust geloofsleven te leiden.

Zijn bekering leidde ertoe dat hij al vroeg een positie innam als ouderling (vanaf 1906) binnen de Oud-Gereformeerde Gemeente van Stavenisse. Daar was hij tot aan zijn dood in 1953 betrokken bij de zorg voor het geestelijk leven van zijn gemeente.

Betekenis en impact

Voor veel gelovigen en kerkhistorici verklaart Potappel’s levensverhaal hoe een vroege innerlijke ontmoeting met God en een doorleefde bekering het fundament legden voor een volwassen geloofsleven dat decennia geduurd heeft. Zijn ervaring laat zien dat bekering niet alleen een historische gebeurtenis is, maar een diepgaande, persoonlijke ontmoeting met God die doorleeft in het hele leven en doorwerkt in de manier waarop iemand met anderen omgaat, bidt en leeft.

Theologische duiding

Hierna volgt een theologische duiding vanuit de **bevindelijk-gereformeerde traditie** Zijn bekeringsverhaal is niet alleen historisch interessant, maar zegt ook existentieel veel over een bepaald godsbeeld en mensbeeld.

1. Bekering als weg, niet als moment

Wat in Potappels geschriften onmiddellijk opvalt, is dat zijn bekering **geen losstaand punt in de tijd** is, maar een **proces met onderscheiden fasen**. Dat is typerend voor de klassieke bevindelijk-gereformeerde theologie, waarin men spreekt over:

1. **Ontdekking aan de zonde**
2. **Verlossing door Christus**
3. **Verzekering / aanneming tot kind**
4. **Levenslange oefening**

Bij Potappel zien we dit bijna schoolboekmatig terug:

* vroege zonde-ontdekking (al als kind),
* vrede met God rond zijn twaalfde jaar,
* verdieping tot kindschap rond zijn veertiende,
* en daarna een leven lang “oefenen in de genade”.

Theologisch betekent dit: bekering is geen psychologisch keerpunt, maar een **door God geleid traject**, waarin de mens stap voor stap wordt ingeleid in de heilservaring.

2. Zonde-kennis als noodzakelijke voorwaarde

Potappels woorden over zonde zijn radicaal: “Dan zijn er geen grote en kleine zonden; dan is alles zonde.”

Hier spreekt de kern van de gereformeerde leer van de **totale verdorvenheid**: niet dat de mens zo slecht mogelijk is, maar dat **alles wat de mens is en doet, aangetast is door zonde**.

Theologisch is dit geworteld in:

* Romeinen 3,
* de Heidelbergse Catechismus (zondag 2–4),
* en de Nadere Reformatie.

Zonder deze diepe zondekennis is er volgens deze traditie **geen plaats voor echte genade**. Genade wordt alleen werkelijk kostbaar wanneer de mens zichzelf radicaal verloren weet.

3. Rechtvaardiging: innerlijk ervaren, niet alleen geloofd

Een cruciaal punt is hoe Potappel zijn vrede met God beschrijft. Dat is geen theologische conclusie (“ik geloof dat Christus voor mij gestorven is”), maar een **innerlijke doorbraak:
* stilte,
* ontlading,
* vreugde, * tranen,
* “een nieuwe hemel en een nieuwe aarde”.

In bevindelijke termen heet dit: de toepassing van de rechtvaardiging door de Heilige Geest.

Niet het verstand, maar het hart moet overtuigd worden. Pas dan mag iemand zeggen: *het is ook voor mij*.

4. Aanneming tot kind: een tweede, diepere fase

Theologisch zeer interessant is dat Potappel **onderscheid maakt tussen vrede met God en kindschap**. Dat is een wezenlijk punt in de Nadere Reformatie. Pas later ervaart hij God als Vader.

Dit correspondeert met:

* Romeinen 8 (“Gij hebt ontvangen de Geest der aanneming”),
* en met het onderscheid tussen: *rechtvaardiging* (juridisch) en *adoptie* (relationeel).

Met andere woorden: eerst wordt de schuld weggenomen, pas daarna ontstaat de intimiteit.

5. Het levenslange karakter van bekering

Bij Potappel stopt bekering nooit. Zelfs als ouderling blijft hij spreken over:

* waakzaamheid,
* zelfonderzoek,
* noodzaak van voortdurende genade.

Bekering is hier geen toegangsbewijs, maar een "blijvende gestalte van het bestaan".

Theologisch sluit dit aan bij Calvijns idee van de *dagelijkse bekering* (poenitentia cotidiana).

6. Tot slot

Leen Potappel belichaamt een vorm van christendom die:

* existentieel ernstig is,
* moreel radicaal,
* innerlijk intens,
* en spiritueel consequent.

Zijn bekeringsverhaal is een "getuigenis van een ziel die volledig in beslag genomen is door God."

Home


© 2025 AdH  |  Laatst bijgewerkt: 27 oktober 2025