Erasmus en de Lof der Zotheid

Desiderius Erasmus uit Roterodamus (Rotterdam, 1466 – Basel, 1536) was een Nederlands humanist, katholiek theoloog, filosoof, filoloog en pedagoog. Hij was een priester en augustijner kanunnik die op zijn eigen, gematigde manier de katholieke kerk van binnenuit probeerde te hervormen tegen de achtergrond van een opkomende Reformatie, wat hem door beide kampen kwalijk werd genomen.

1. De uitgangspunten van Erasmus

Het denken van Erasmus wordt gedragen door een diep humanistisch uitgangspunt: vertrouwen in de vormbaarheid van de mens door opvoeding, studie en innerlijke groei. Hij geloofde dat rede, moreel besef en geloof elkaar niet uitsluiten, maar elkaar juist kunnen zuiveren en verdiepen. Erasmus wantrouwde uitersten: fanatisme, absolutisme en ideologische hardheid. Zijn houding is die van de bemiddelaar, de ironicus en de pedagoog. Hij wil niet breken, maar corrigeren; niet vernietigen, maar ontmaskeren. De lach is bij hem geen vlucht, maar een methode.

2. Zijn theologische visie en godsbeeld

Erasmus’ theologie is geen systeem, maar een houding. Centraal staat wat hij philosophia Christi noemt: een eenvoudig, innerlijk en praktisch christendom, gericht op navolging van Christus in nederigheid, mildheid en liefde. God is bij Erasmus geen strenge rechter die beheerst moet worden met regels, aflaten en dogma’s, maar een bron van leven en menselijkheid. Het geloof is geen intellectuele prestatie, maar een morele en spirituele weg. Wie Christus wil volgen, moet vooral menselijker worden, niet scherper in gelijk of strenger in oordeel.

Erasmus (Literatuurmuseum)

3. Waartegen richtte Erasmus zich?

Erasmus richtte zich tegen alles wat het christendom had verhard en vervreemd van zijn oorsprong: kerkelijke machtswellust, dogmatische verstarring, scholastische haarkloverij en morele schijnheiligheid. Hij verzette zich tegen een kerk die angst cultiveerde in plaats van vertrouwen, en gehoorzaamheid afdwong in plaats van innerlijke overtuiging. Zijn kritiek gold niet het geloof zelf, maar de instituties en mentaliteiten die het geloof hadden gekoloniseerd.

4. Enkele concrete voorbeelden van dwaasheden die Erasmus constateerde

In Lof der Zotheid bespot Erasmus pausen die zich gedragen als wereldlijke vorsten, bisschoppen die hun kudde niet kennen, en monniken die hun heiligheid ontlenen aan kledingvoorschriften en rituelen. Hij drijft de spot met theologen die eindeloos redetwisten over abstracties, terwijl zij de kern van het evangelie vergeten. Ook het geloof in aflaten, relieken en magische rituelen wordt ontmaskerd als bijgeloof dat de menselijke verantwoordelijkheid ondermijnt. De dwaasheid is steeds dezelfde: men verwart uiterlijke vormen met innerlijke waarheid.

De titel van "Lof der Zotheid" is in het Latijn "Encomium Moriae" (ofwel in het Engels "The praise of folly").
De titel "Encomium Moriae is een woordspeling: Moria betekent dwaasheid.
Het werk is opgedragen aan Erasmus’ vriend Thomas More (Morus), wat de speelse toon onderstreept.

5. Welke dubbele seksuele moraal hekelde hij bij monniken en nonnen?

Erasmus hekelde scherp, zij het ironisch, de seksuele hypocrisie binnen kloosters en geestelijkheid. In Lof der Zotheid laat hij Zotheid vertellen hoe priesters hun kuisheid etaleren, terwijl zij heimelijk relaties onderhouden en kinderen verwekken. Monniken die anderen streng veroordelen, blijken zelf creatief in het omzeilen van hun geloften. Over nonnen suggereert hij dat het gedwongen opsluiten van jonge vrouwen onder het mom van zuiverheid vaak leidt tot verborgen verlangens en clandestiene praktijken. De spot is mild van toon, maar vernietigend in effect: een moraal die de natuur ontkent, produceert leugenachtigheid.

6. Waarom was hij het niet eens met Luther en Calvijn?

Hoewel Erasmus de misstanden in de kerk erkende, kon hij zich niet vinden in de radicaliteit van Luther en Calvijn. Hij verwierp hun dogmatische scherpte, hun polariserende taal en vooral Luthers leer van de onvrije wil. Voor Erasmus bleef menselijke vrijheid essentieel voor moraal en geloof. Bovendien zag hij hoe ook de Reformatie snel verstarde in nieuwe zekerheden en nieuwe uitsluitingen. In zijn ogen werd de geest van Christus opnieuw ondergeschikt gemaakt aan gelijk en macht, zij het in een andere verpakking.

7. Retorische vorm

Erasmus laat de dwaasheid spreken in de gedaante van een vrouw, en hij noemt haar in het Latijn Stultitia, wat het best vertaald kan worden als “Zotheid” of “Dwaasheid”.
Zij presenteert zich expliciet als een vrouwelijke figuur, compleet met een eigen stem, zelfbewustzijn en ironische autoriteit. Erasmus sluit hiermee aan bij een klassieke en bijbelse traditie waarin abstracte begrippen vrouwelijk worden gepersonifieerd (denk aan Vrouwe Wijsheid in Spreuken). Dat Erasmus Zotheid als vrouw opvoert, is geen misogynie, maar een retorische strategie. Als vrouw mag zij zeggen wat een mannelijke auteur niet ongestraft zou kunnen zeggen. Zij prijst zichzelf, overdrijft haar invloed en legt zo de hypocrisie van machthebbers bloot. Juist omdat zij “maar Zotheid” is, kan zij de waarheid uitspreken zonder er direct verantwoordelijkheid voor te dragen. Haar vrouw-zijn is literair functioneel, niet inhoudelijk normatief.

Zotheid is een briljant gekozen allegorische figuur: een vrouw die zichzelf bewierookt, terwijl zij de dwaasheid van kerk, theologie en menselijke hoogmoed blootlegt. In die zin is zij minder een object van geloof dan een instrument van ontmaskering — en juist daarin ligt Erasmus’ blijvende kracht.

Zij doet alsof zij goddelijke trekken heeft — ze noemt zichzelf weldoenster van de mensheid, bron van vreugde, geluk en zelfbedrog — maar dat is juist onderdeel van de satire. Erasmus gebruikt hier een bekende techniek uit de klassieke oudheid, waarin abstracte begrippen (zoals Fortuna, Victoria, Pax) als vrouwen worden voorgesteld. Dit betekent echter niet dat zij werkelijk als godin worden bedoeld.

Zotheid vervult drie rollen tegelijk:
Nar – zij mag zeggen wat anderen niet durven;
Spiegel – zij laat zien hoe mensen zichzelf bedriegen;
Masker van Erasmus – achter haar lach schuilt scherpe morele kritiek.

De Zotheid bracht vrolijkheid en geluk. Het leven was zo’n ellende dat de mens zich er beter niet bewust van kon zijn. Op dat moment kwam de Zotheid te hulp met een aangename dwaling van het verstand. Zotheid steunde op onwetendheid, onnadenkendheid, vergetelheid, genot, vreugde, hoop, verbeelding, fabels, meningen, vergissingen en bedrog. De zotten volgden hun natuurlijke instincten, werden geleid door hun hartstochten en dachten er niet bij na. Ze waren daar tevreden en gelukkig mee, want zotheid lag in hun aard. De Zotheid nam afstand van de Furiën, de wraakgodinnen uit de onderwereld. Zij droegen de verantwoordelijkheid voor oorlogszucht, goudkoorts, onterende en misdadige liefde, vadermoord, incest, heiligschennis of een andere soort pest. De Zotheid had het ook niet begrepen op jagen, alchemie en dobbelen. De Zotheid kwam je overal tegen. Haar goddelijkheid werd vereerd door iedereen. Het grootste deel van de mensen was zot op vele manieren. Het hele menselijke leven was niets anders dan een spel van de zotheid. Hoe dwazer iets was, hoe meer de mensen het bewonderden. “Ik, de Zotheid, ben de enige die allen even liefdevol omarm met mijn milde gaven.”

8. Zijn betekenis

Erasmus wordt beschouwd als een van de invloedrijkste denkers uit de Noordelijke Renaissance. Zijn betekenis ligt in zijn weigering om waarheid te vereenzelvigen met macht, en geloof met zekerheid. Hij verdedigt twijfel als de ruimte waarin geloof menselijk blijft. Zijn ironie is geen cynisme, maar een spirituele oefening in zelfrelativering. Erasmus nodigt uit tot een geloof dat zacht is, kritisch, innerlijk en vrij. In een religieuze wereld die telkens weer verhardt, herinnert hij eraan dat ware wijsheid vaak verschijnt in de gedaante van wat de wereld als zotheid beschouwt: mildheid, humor en menselijkheid.

Home


© 2025 AdH  |  Laatst bijgewerkt: januari 2025