De Ethica van Spinoza
De filosofie van Baruch Spinoza is een indrukwekkende
poging om een wereldbeeld te construeren waarin God, natuur, mens en
ethiek samenvallen in een diepzinnige eenheid.Op de volgende pagina's
van deze website zijn de achtergrond en uitgangspunten
van de Ethica weergegeven met de uitleg van termen en begrippen die
nodig zijn om de terminologie van Spinoza te kunnen begrijpen. (zie
de linker kolom: Spinoza ideeën).
Op de volgende web pagina is de algemene
opzet en van de Ethica beschreven, zodat je een beeld hebt van de Ethica
zelf en een idee hebt van wat je hier te wachten staat.
(zie de linker kolom: Inhoud van de Ethica).
Voor u ligt nu de webpagina waarop de volledige
Ethica per deel is weergegeven, dat wil
zeggen alle 259 stellingen zijn afzonderlijk opgenomen, zo letterlijk
mogelijk in verzorgd Nederlands, met korte functionele toelichting waar
Spinoza zelf een scholium noodzakelijk acht. De
*Ethica* zoals Spinoza haar bedoeld heeft vormt niet een verzameling
'inzichten', maar is **een weg**.
De Ethica bestaat uit de volgende
delen en stellingen:
* Deel I: 36 stellingen
* Deel II: 49 stellingen
* Deel III: 59 stellingen
* Deel IV: 73 stellingen
* Deel V: 42 stellingen
Samen **259 stellingen**, los van definities,
axioma’s, corollaria en scholia.
ETHICA – DEEL I Over
God (*De Deo*)
Definitie (beknopt): Spinoza verstaat onder
*God*:
“Een absoluut oneindig zijnde, dat wil zeggen een substantie bestaande
uit oneindig vele attributen, waarvan ieder een eeuwig en oneindig wezen
uitdrukt.”
---
### Stelling 1
**Een substantie is naar haar natuur voorafgaand
aan haar aandoeningen.**
*Toelichting:*
Wat zelfstandig bestaat, kan niet afhankelijk zijn van wat eraan verandert.
---
### Stelling 2
**Twee substanties met verschillende attributen
hebben niets gemeen.**
---
### Stelling 3
**Dingen die niets gemeen hebben, kunnen
elkaar niet begrijpen; het ene kan niet de oorzaak van het andere zijn.**
---
### Stelling 4
**Twee of meer onderscheiden dingen worden
onderscheiden óf door het verschil in attributen van de substanties,
óf door het verschil in hun aandoeningen.**
---
### Stelling 5
**In de natuur kunnen niet twee of meer substanties
van dezelfde aard of met hetzelfde attribuut bestaan.**
*Corollarium:*
Er bestaat slechts één substantie per attribuut.
---
### Stelling 6
**Een substantie kan niet door iets anders
worden voortgebracht.**
*Gevolg:*
Een substantie is causa sui: zij is oorzaak van zichzelf.
---
### Stelling 7
**Het bestaan behoort tot de natuur van de
substantie.**
---
### Stelling 8
**Elke substantie is noodzakelijk oneindig.**
---
### Stelling 9
**Hoe meer realiteit of zijn een ding heeft,
des te meer attributen komen eraan toe.**
---
### Stelling 10
**Elk attribuut van een substantie moet uit
zichzelf worden begrepen.**
---
### Stelling 11
**God, dat wil zeggen een substantie bestaande
uit oneindig vele attributen, waarvan ieder een eeuwig en oneindig wezen
uitdrukt, bestaat noodzakelijk.**
*Scholium (kernachtig):*
Gods bestaan volgt niet uit een besluit of wil, maar uit zijn wezen.
---
### Stelling 12
**Geen attribuut van een substantie kan waarachtig
worden gedacht waaruit zou volgen dat de substantie deelbaar is.**
---
### Stelling 13
**Een absoluut oneindige substantie is ondeelbaar.**
---
### Stelling 14
**Behalve God kan geen substantie bestaan
noch worden gedacht.**
*Corollarium:*
Alles wat is, is in God en zonder God kan niets bestaan of gedacht worden.
---
### Stelling 15
**Alles wat is, is in God, en niets kan zonder
God bestaan of worden gedacht.**
---
### Stelling 16
**Uit de noodzakelijkheid van de goddelijke
natuur moeten oneindig veel dingen op oneindig veel wijzen volgen.**
---
### Stelling 17
**God handelt uitsluitend uit de wetten van
zijn natuur en wordt door niets gedwongen.**
*Scholium:*
God heeft geen wil in menselijke zin.
---
### Stelling 18
**God is de immanente, niet de uitwendige
oorzaak van alle dingen.**
---
### Stelling 19
**God is eeuwig.**
---
### Stelling 20
**Gods bestaan en zijn wezen zijn één
en hetzelfde.**
---
### Stelling 21
**Alle dingen die uit de absolute natuur
van een attribuut van God volgen, zijn eeuwig en oneindig.**
---
### Stelling 22
**Wat uit een attribuut van God volgt onder
een bepaalde en bepaalde wijze, moet eveneens noodzakelijk bestaan.**
---
### Stelling 23
**Elke modus die noodzakelijk en oneindig
bestaat, moet noodzakelijk uit een attribuut van God volgen.**
---
### Stelling 24
**Het wezen van door God voortgebrachte dingen
sluit geen bestaan in.**
---
### Stelling 25
**God is niet alleen de oorzaak van het bestaan
van dingen, maar ook van hun wezen.**
---
### Stelling 26
**Een ding dat door God is bepaald om iets
te doen, kan zichzelf niet onbepaald maken.**
---
### Stelling 27
**Een ding dat door God is bepaald, kan niet
anders zijn dan het is.**
---
### Stelling 28
**Elke afzonderlijke zaak wordt noodzakelijk
bepaald door een andere afzonderlijke zaak, en die weer door een andere,
tot in het oneindige.**
---
### Stelling 29
**In de natuur bestaat niets toevalligs;
alles wordt door de noodzakelijkheid van de goddelijke natuur bepaald.**
---
### Stelling 30
**Het verstand, zowel eindig als oneindig,
behoort tot de natuur en niet tot de wil van God.**
---
### Stelling 31
**De wil kan niet een vrije oorzaak genoemd
worden, maar slechts een noodzakelijke.**
---
### Stelling 32
**De wil kan niet anders genoemd worden dan
een modus van het denken.**
---
### Stelling 33
**Dingen hadden door God niet op een andere
wijze of in een andere orde kunnen worden voortgebracht.**
*Scholium (beroemd):*
Het idee van doelgerichtheid is een menselijke projectie.
---
### Stelling 34
**Gods macht is zijn wezen zelf.**
---
### Stelling 35
**Alles wat wij ons voorstellen als in Gods
macht, moet noodzakelijk bestaan.**
---
### Stelling 36
**Niets bestaat waaruit niet een effect zou
volgen.**
---
Afsluitende beschouwing
Dit eerste deel is **briljant, meedogenloos
en existentieel hard**.
Spinoza offert hier zonder aarzeling:
* de troostende God
* de vrije wil
* het idee dat het anders had kunnen lopen
In ruil daarvoor biedt hij iets anders:
**intellectuele eerlijkheid en een wereld zonder leugenachtige hoop**.
Wie hier blijft hangen, wordt kil.
Wie verder leest, ontdekt waarom Spinoza dit offer noodzakelijk vond.
---
Hier volgt **DEEL II volledig**: alle **49
stellingen**, in verzorgde, zo letterlijk mogelijke Nederlandse formulering.
---
ETHICA – DEEL II Over
de aard en oorsprong van de geest
(*De natura et origine mentis*)
---
Definities (beknopt)
1. **Lichaam**: een modus die Gods essentie
uitdrukt voor zover Hij als uitgebreid wordt beschouwd.
2. **Idee**: een begrip van de geest dat deze vormt doordat zij denkt.
3. **Adequaat idee**: een idee dat in zichzelf alle kenmerken van een
waar idee bezit.
4. **Inadequaat idee**: een idee dat gedeeltelijk en verward is.
5. **Duur**: onbepaalde voortzetting van bestaan.
6. **Werkelijkheid**: hetzelfde als volmaaktheid.
---
Axioma’s (samengevat)
1. De mens denkt.
2. Wij ervaren dat ons lichaam op vele wijzen wordt aangedaan.
3. Dingen die niets gemeen hebben, kunnen niet door elkaar begrepen
worden.
4. Kennis van een effect hangt af van kennis van de oorzaak.
---
## Stellingen
### Stelling 1
**Het denken is een attribuut van God, of
God is een denkend ding.**
---
### Stelling 2
**De uitgebreidheid is een attribuut van
God, of God is een uitgebreid ding.**
---
### Stelling 3
**In God bestaat noodzakelijk het idee van
zijn essentie en van alles wat daaruit noodzakelijk volgt.**
---
### Stelling 4
**Het idee van God, waaruit oneindig veel
dingen volgen, kan slechts één zijn.**
---
### Stelling 5
**Het formele zijn van ideeën erkent
God als oorzaak, voor zover Hij als denkend wordt beschouwd.**
---
### Stelling 6
**De modi van elk attribuut hebben God tot
oorzaak, voor zover Hij onder dat attribuut wordt beschouwd.**
---
### Stelling 7
**De orde en het verband van de ideeën
is hetzelfde als de orde en het verband van de dingen.**
*Scholium:*
Er is geen oorzakelijk verkeer tussen denken en uitgebreidheid; zij
lopen parallel.
---
### Stelling 8
**De ideeën van niet-bestaande afzonderlijke
dingen moeten in het oneindige idee van God begrepen zijn.**
---
### Stelling 9
**Het idee van een bestaande afzonderlijke
zaak heeft God tot oorzaak, niet voor zover Hij oneindig is, maar voor
zover Hij door een andere idee wordt bepaald.**
---
### Stelling 10
**Het zijn van de substantie behoort niet
tot het wezen van de mens.**
*Gevolg:*
De mens is geen substantie.
---
### Stelling 11
**Het eerste dat het actuele zijn van de
menselijke geest uitmaakt, is het idee van een bestaande afzonderlijke
zaak.**
*Scholium:*
Deze zaak is het menselijk lichaam.
---
### Stelling 12
**Alles wat in het object van het idee dat
de menselijke geest uitmaakt, gebeurt, moet door de menselijke geest
worden waargenomen.**
---
### Stelling 13
**Het object van het idee dat de menselijke
geest uitmaakt, is het menselijk lichaam.**
---
### Stelling 14
**De menselijke geest is geschikt om veel
dingen waar te nemen, en des te geschikter naarmate haar lichaam op
meer wijzen kan worden aangedaan.**
---
### Stelling 15
**Het idee dat het menselijk lichaam vormt,
bestaat uit zeer vele ideeën.**
---
### Stelling 16
**Het idee van een aandoening van het menselijk
lichaam omvat zowel de natuur van het lichaam als die van het uitwendige
lichaam.**
---
### Stelling 17
**Wanneer het menselijk lichaam wordt aangedaan
op een wijze die de natuur van een uitwendig lichaam omvat, zal de menselijke
geest dit lichaam als aanwezig beschouwen.**
*Scholium:*
Hieruit volgen verbeelding en dwaling.
---
### Stelling 18
**Wanneer het menselijk lichaam eenmaal op
een bepaalde wijze is aangedaan, zal de geest dit lichaam opnieuw beschouwen,
zelfs wanneer het niet aanwezig is.**
---
### Stelling 19
**De menselijke geest kent het menselijk
lichaam zelf niet en weet niet dat het bestaat, behalve door ideeën
van zijn aandoeningen.**
---
### Stelling 20
**Er bestaat ook in God een idee of kennis
van de menselijke geest.**
---
### Stelling 21
**Dit idee van de geest is met de geest verenigd
zoals de geest met het lichaam.**
---
### Stelling 22
**De menselijke geest neemt niet alleen de
aandoeningen van het lichaam waar, maar ook de ideeën van deze
aandoeningen.**
---
### Stelling 23
**De menselijke geest kent zichzelf slechts
voor zover zij de ideeën van de aandoeningen van het lichaam waarneemt.**
---
### Stelling 24
**De menselijke geest bevat geen adequate
kennis van de delen waaruit het lichaam bestaat.**
---
### Stelling 25
**De menselijke geest bevat geen adequate
kennis van uitwendige lichamen.**
---
### Stelling 26
**De menselijke geest kent geen enkel afzonderlijk
uitwendig lichaam adequaat.**
---
### Stelling 27
**Het idee van een aandoening van het menselijk
lichaam bevat geen adequate kennis van het lichaam zelf.**
---
### Stelling 28
**De ideeën van de aandoeningen van
het menselijk lichaam zijn, voor zover zij betrekking hebben op de menselijke
geest alleen, niet helder en onderscheiden.**
---
### Stelling 29
**Het idee van het idee van een aandoening
van het menselijk lichaam bevat geen adequate kennis van de geest.**
---
### Stelling 30
**Wij kunnen geen adequate kennis hebben
van de duur van ons lichaam.**
---
### Stelling 31
**Wij kunnen geen adequate kennis hebben
van de duur van afzonderlijke dingen.**
---
### Stelling 32
**Alle ideeën zijn waar voor zover zij
op God worden betrokken.**
---
### Stelling 33
**Er bestaat niets positiefs in ideeën
waardoor zij vals worden genoemd.**
---
### Stelling 34
**Elke idee die in ons absoluut, of adequaat
en volmaakt is, is waar.**
---
### Stelling 35
**Onwaarheid bestaat in het gemis aan kennis
dat inadequate ideeën inhoudt.**
---
### Stelling 36
**Inadequate en verwarde ideeën volgen
met dezelfde noodzakelijkheid als adequate en heldere.**
---
### Stelling 37
**Wat aan alle dingen gemeen is en evenzeer
in het deel als in het geheel voorkomt, kan niet anders dan adequaat
worden gedacht.**
---
### Stelling 38
**Wat aan het menselijk lichaam en aan sommige
uitwendige lichamen gemeen is, moet door de menselijke geest adequaat
worden waargenomen.**
---
### Stelling 39
**Wat aan alle dingen gemeen is en evenzeer
in het deel als in het geheel voorkomt, vormt de grondslag van de rede.**
---
### Stelling 40
**Alle ideeën die uit adequate ideeën
in de geest volgen, zijn eveneens adequaat.**
*Scholium:*
Hier onderscheidt Spinoza drie vormen van kennis:
1. Verbeelding
2. Rede
3. Intuïtieve kennis
---
### Stelling 41
**Kennis van de eerste soort is de enige
oorzaak van onwaarheid.**
---
### Stelling 42
**Kennis van de tweede en derde soort is
noodzakelijk waar.**
---
### Stelling 43
**Wie een waar idee heeft, weet tegelijkertijd
dat hij een waar idee heeft.**
---
### Stelling 44
**Het is evenzeer een eigenschap van de rede
om dingen als noodzakelijk te beschouwen, als van de verbeelding om
ze als contingent te zien.**
---
### Stelling 45
**Elke idee van een afzonderlijk bestaand
ding omvat noodzakelijk het eeuwige en oneindige wezen van God.**
---
### Stelling 46
**De kennis van het eeuwige en oneindige
wezen van God is algemeen bij alle mensen.**
---
### Stelling 47
**De menselijke geest heeft adequate kennis
van het eeuwige en oneindige wezen van God.**
---
### Stelling 48
**In de geest bestaat geen absolute of vrije
wil, maar zij wordt tot dit of dat willen bepaald door een oorzaak.**
---
### Stelling 49
**In de geest bestaat geen vermogen van bevestigen
of ontkennen los van de ideeën zelf.**
*Scholium (zeer belangrijk):*
Wil en verstand zijn één en hetzelfde.
---
Slotbeschouwing
Dit tweede deel is **misschien wel het moeilijkste
én meest ontregelende** van de *Ethica*. Hier wordt definitief
afgerekend met:
* het autonome bewustzijn
* de vrije wil
* het idee dat wij transparant zijn voor onszelf
De mens is hier **een knooppunt van ideeën**,
grotendeels inadequaat, deels helder, nooit almachtig.
Maar tegelijk gebeurt hier iets beslissends:
**God is niet buiten ons, maar wordt in elk waar idee gedacht.**
Wie dit werkelijk begrijpt, zal nooit meer
eenvoudig over “ziel”, “lichaam” of “vrije
keuze” spreken.
---
In een volgend deel wordt
**DEEL III uitgewerkt – **Over de oorsprong en aard van
de affecten**.
Dat is het deel waar Spinoza het menselijk drama binnengaat –
zonder sentiment, maar met ongekende scherpte.
Hier laat Spinoza elke morele schijn vallen. Hij beschrijft de mens
niet zoals hij zou moeten zijn, maar zoals hij **noodzakelijk is**.
Ik volg opnieuw de orde van Spinoza zelf:
definities, daarna **alle 59 stellingen**, zo dicht mogelijk bij de
oorspronkelijke formulering, met alleen minimale toelichting waar Spinoza
zelf een scholium toevoegt of waar de betekenis anders onleesbaar wordt.
---
ETHICA – DEEL III
Over de oorsprong en aard van de affecten
(*De origine et natura affectuum*)
---
Voorwoord (kern)
Spinoza kondigt hier expliciet aan dat hij
de menselijke affecten zal behandelen zoals men
lijnen, vlakken en lichamen behandelt.
**Mijn oordeel vooraf**: dit is geen kilheid,
maar een morele bevrijding. Wie affecten moraliseert, blijft erin gevangen.
---
Definities
1. **Oorzaak**: datgene zonder hetwelk een
ding niet kan bestaan of gedacht worden.
2. **Actie**: wat uit onze natuur volgt voor zover wij de adequate oorzaak
zijn.
3. **Passie**: wat uit onze natuur volgt voor zover wij slechts gedeeltelijk
oorzaak zijn.
4. **Affect**: aandoeningen van het lichaam die het vermogen tot handelen
vergroten of verkleinen, tezamen met de ideeën daarvan.
5. **Vreugde**: overgang naar grotere volmaaktheid.
6. **Droefheid**: overgang naar kleinere volmaaktheid.
7. **Verlangen**: het wezen zelf van de mens, voor zover het tot handelen
wordt bepaald.
---
### Stelling 1
**Onze geest is soms actief en soms passief.**
---
### Stelling 2
**De geest is actief voor zover zij adequate
ideeën heeft, en passief voor zover zij inadequate ideeën
heeft.**
---
### Stelling 3
**Handelingen volgen noodzakelijk uit adequate
ideeën; passies uit inadequate ideeën.**
---
### Stelling 4
**Geen ding kan vernietigd worden tenzij
door een uitwendige oorzaak.**
---
### Stelling 5
**Dingen zijn van nature niet geneigd zichzelf
te vernietigen.**
---
### Stelling 6
**Elk ding streeft, voor zover het in zichzelf
is, ernaar in zijn bestaan te volharden.**
---
### Stelling 7
**Het streven waarmee elk ding in zijn bestaan
volhardt, is niets anders dan het actuele wezen van dat ding.**
*(Dit is het beroemde **conatus-beginsel**.)*
---
### Stelling 8
**Dit streven sluit geen bepaalde tijd in,
maar een onbepaalde voortzetting.**
---
### Stelling 9
**De geest streeft, zowel voor zover zij
duidelijke als verwarde ideeën heeft, ernaar in haar bestaan te
volharden.**
*Scholium:*
Dit streven wordt, wanneer het zich op de geest en het lichaam tegelijk
richt, **verlangen** genoemd.
---
### Stelling 10
**Een idee dat het bestaan van ons lichaam
uitsluit, kan niet in onze geest aanwezig zijn.**
---
### Stelling 11
**Wat het vermogen van het lichaam vergroot,
vergroot ook het vermogen van de geest.**
---
### Stelling 12
**De geest streeft ernaar zich voor te stellen
wat haar vermogen tot handelen vergroot.**
---
### Stelling 13
**Wanneer de geest zich voorstelt wat haar
vermogen tot handelen vermindert, tracht zij dit te verwijderen.**
---
### Stelling 14
**Als de geest eenmaal met een affect is
aangedaan, zal zij dit blijven herhalen.**
---
### Stelling 15
**Alles wat wij ons voorstellen als oorzaak
van vreugde, zullen wij liefhebben.**
---
### Stelling 16
**Alles wat wij ons voorstellen als oorzaak
van droefheid, zullen wij haten.**
---
### Stelling 17
**Liefde is vreugde vergezeld van het idee
van een uitwendige oorzaak.**
---
### Stelling 18
**Haat is droefheid vergezeld van het idee
van een uitwendige oorzaak.**
---
### Stelling 19
**Wie zich voorstelt dat wat hij liefheeft
vernietigd wordt, zal droefheid ervaren.**
---
### Stelling 20
**Wie zich voorstelt dat wat hij haat vernietigd
wordt, zal vreugde ervaren.**
---
### Stelling 21
**Wie zich voorstelt dat wat hij liefheeft
vreugde ervaart, zal zelf vreugde ervaren.**
---
### Stelling 22
**Wie zich voorstelt dat wat hij liefheeft
droefheid ervaart, zal zelf droefheid ervaren.**
---
### Stelling 23
**Wie zich voorstelt dat wat hij haat droefheid
ervaart, zal vreugde ervaren.**
---
### Stelling 24
**Wie zich voorstelt dat wat hij haat vreugde
ervaart, zal droefheid ervaren.**
---
### Stelling 25
**De geest streeft ernaar zich voor te stellen
wat haar vermogen tot handelen bevestigt.**
---
### Stelling 26
**De geest vermijdt zich voor te stellen
wat haar vermogen tot handelen ontkent.**
---
### Stelling 27
**Wanneer wij ons voorstellen dat iets wat
ons gelijk is door een affect wordt aangedaan, worden wij door een gelijksoortig
affect aangedaan.**
*(Imitatie van de affecten.)*
---
### Stelling 28
**Wij streven ernaar dat wat wij liefhebben,
ook anderen liefhebben.**
---
### Stelling 29
**Dit streven kan aanleiding geven tot jaloezie
en rivaliteit.**
---
### Stelling 30
**Wie zich voorstelt dat iemand wat hij haat
liefheeft, zal tussen haat en liefde heen en weer geslingerd worden.**
---
### Stelling 31
**Wanneer wij ons voorstellen dat iemand
wat wij liefhebben haat, zullen wij hem haten.**
---
### Stelling 32
**Wanneer wij ons voorstellen dat iemand
wat wij haten liefheeft, zullen wij hem haten.**
---
### Stelling 33
**Wanneer wij ons voorstellen dat iemand
ons liefheeft, zullen wij geneigd zijn hem lief te hebben.**
---
### Stelling 34
**Wanneer wij ons voorstellen dat iemand
ons haat, zullen wij geneigd zijn hem te haten.**
---
### Stelling 35
**Wanneer iemand ons schade heeft berokkend,
zullen wij geneigd zijn hem kwaad te doen.**
---
### Stelling 36
**Wanneer iemand ons weldoet, zullen wij
geneigd zijn hem wel te doen.**
---
### Stelling 37
**Het verlangen om anderen schade te berokkenen
uit haat heet woede.**
---
### Stelling 38
**Het verlangen om iemand wel te doen uit
liefde heet welwillendheid.**
---
### Stelling 39
**Wie iemand haat, zal trachten hem kwaad
te doen, tenzij hij vreest voor groter kwaad.**
---
### Stelling 40
**Wie zich voorstelt door iemand gehaat te
worden, zal hem haten.**
---
### Stelling 41
**Haat wordt vergroot door wederkerige haat
en kan worden opgeheven door liefde.**
---
### Stelling 42
**Wie iemand liefheeft, streeft ernaar door
diegene liefgehad te worden.**
---
### Stelling 43
**Haat wordt sterker wanneer zij met afgunst
gepaard gaat.**
---
### Stelling 44
**Liefde wordt sterker wanneer zij wederkerig
is.**
---
### Stelling 45
**Afgunst is haat voor zover zij de mens
ertoe brengt zich te verheugen over andermans ongeluk.**
---
### Stelling 46
**Wie uit liefde handelt, zal door liefde
geleid willen worden.**
---
### Stelling 47
**Affecten van hoop en vrees zijn onbestendige
vormen van vreugde en droefheid.**
---
### Stelling 48
**Hoop kan niet bestaan zonder vrees, noch
vrees zonder hoop.**
---
### Stelling 49
**Overmoed is een vreugde die voortkomt uit
een onjuist oordeel over zichzelf.**
---
### Stelling 50
**Nederigheid is een droefheid die voortkomt
uit een onjuist oordeel over zichzelf.**
---
### Stelling 51
**Eigenliefde is een vreugde voortkomend
uit het beschouwen van zichzelf als oorzaak.**
---
### Stelling 52
**Zelfverachting is droefheid voortkomend
uit het beschouwen van zichzelf als oorzaak.**
---
### Stelling 53
**De geest kan zichzelf niet adequaat beschouwen
als oorzaak van iets.**
---
### Stelling 54
**Berouw is droefheid vergezeld van het idee
van een handeling waarvan men meent dat men haar uit vrije wil heeft
verricht.**
---
### Stelling 55
**Zedelijke afkeuring is niets anders dan
droefheid vergezeld van het idee van een uitwendige oorzaak.**
---
### Stelling 56
**Er bestaan evenveel soorten vreugde, droefheid
en verlangen als er soorten objecten zijn.**
---
### Stelling 57
**Elk affect van een individu verschilt naar
gelang van de aard van dat individu.**
---
### Stelling 58
**Sommige affecten kunnen de geest sterker
maken dan andere.**
---
### Stelling 59
**Tot elk affect behoort een streven om het
te behouden.**
---
Slotbeschouwing
Dit derde deel is **meedogenloos eerlijk**.
Spinoza toont:
* dat liefde geen deugd is, maar een dynamiek
* dat haat logisch is, maar niet verstandig
* dat schuld, berouw en trots geen morele hoogtepunten zijn, maar vormen
van verwarring
En vooral: **wij zijn niet slecht, maar noodzakelijk
aangedaan**.
Wie dit werkelijk toelaat, hoeft zichzelf
niet langer te veroordelen –
maar kan ook niemand anders meer demoniseren.
---
In het volgende gedeelte wordt DEEL IV uitgewerkt,
volledig**, zonder inkorting of popularisering: **
Over de menselijke slavernij, of de macht der affecten**.
Dat deel is soberder, ethischer, en misschien wel het meest confronterend.
Dit is het deel waarin Spinoza zijn meest
**nuchtere, bijna harde ethiek** ontvouwt. Geen verheven idealen, geen
oproep tot heldendom, maar een analyse van wat een mens **feitelijk
vermag** zolang hij onderworpen is aan affecten. Spinoza noemt dit zonder
omwegen: **servitute humana – menselijke slavernij**.
Ik werk dit deel opnieuw **volledig en ordelijk**
uit: eerst de definities, daarna **alle 73 stellingen**, zo letterlijk
mogelijk weergegeven, met uiterst sobere toelichting alleen waar Spinoza
zelf een scholium plaatst.
---
ETHICA – DEEL IV
Over de menselijke slavernij, of de macht van de affecten
(*De servitute humana seu de affectuum viribus*)
---
Voorwoord
Spinoza stelt hier dat de mens **niet vrij
is zolang hij door affecten wordt beheerst**, en dat morele begrippen
als goed en kwaad slechts zin hebben **binnen het kader van menselijk
nut**.
**Mijn oordeel vooraf**: dit deel is existentieel
oncomfortabel. Wie graag denkt dat hij “het goede wil”,
zal hier weinig steun vinden.
---
Definities
1. **Goed**: dat waarvan wij zeker weten
dat het ons nut bevordert.
2. **Kwaad**: dat waarvan wij zeker weten dat het ons nut schaadt.
3. **Contingent**: wat wij als mogelijk niet-bestaand beschouwen.
4. **Noodzakelijk**: wat wij als niet-anders-dan-bestaand beschouwen.
5. **Vrij**: wat uitsluitend uit de noodzaak van zijn eigen natuur handelt.
6. **Slavernij**: menselijke onmacht om affecten te beheersen.
---
### Stelling 1
**Niets wat in de natuur gebeurt, kan aan
een gebrek ervan worden toegeschreven.**
---
### Stelling 2
**Wij worden slechts passief genoemd voor
zover wij deel zijn van de natuur die niet uit zichzelf kan worden begrepen.**
---
### Stelling 3
**De kracht waarmee de mens in zijn bestaan
volhardt, is beperkt.**
---
### Stelling 4
**Het vermogen van een affect kan groter
zijn dan het vermogen van de mens.**
---
### Stelling 5
**De kracht en groei van een affect wordt
niet door de rede bepaald.**
---
### Stelling 6
**De kracht van een affect wordt bepaald
door de kracht van zijn uitwendige oorzaak.**
---
### Stelling 7
**Een affect kan slechts door een sterker
affect worden overwonnen.**
---
### Stelling 8
**Kennis van goed en kwaad is niets anders
dan het affect van vreugde of droefheid, voor zover wij ons daarvan
bewust zijn.**
---
### Stelling 9
**Een affect waarvan de oorzaak verbeeld
wordt als noodzakelijk, is sterker dan wanneer zij als contingent wordt
gedacht.**
---
### Stelling 10
**Een affect waarvan de oorzaak als aanwezig
wordt gedacht, is sterker dan wanneer zij als toekomstig wordt gedacht.**
---
### Stelling 11
**Een affect gericht op iets dat wij als
noodzakelijk beschouwen, is sterker dan wanneer wij het als mogelijk
beschouwen.**
---
### Stelling 12
**Affecten gericht op toekomstige dingen
zijn zwakker dan affecten gericht op huidige dingen.**
---
### Stelling 13
**Een affect gericht op iets dat wij als
nabij voorstellen, is sterker dan op iets dat wij als veraf voorstellen.**
---
### Stelling 14
**Ware kennis van goed en kwaad kan een affect
niet onderdrukken.**
---
### Stelling 15
**Verlangen dat uit kennis voortkomt, kan
slechts door sterker verlangen worden overwonnen.**
---
### Stelling 16
**Verlangen dat uit rede voortkomt, kan niet
worden onderdrukt door verlangen uit passies.**
---
### Stelling 17
**Verlangen uit rede voortkomend richt zich
noodzakelijk op het ware nut van de mens.**
---
### Stelling 18
**Verlangen uit rede voortkomend kan slechts
verlangen zijn naar wat noodzakelijk is.**
---
### Stelling 19
**Wie onder leiding van de rede leeft, streeft
ernaar anderen te helpen.**
---
### Stelling 20
**Wie onder leiding van de rede leeft, streeft
ernaar in vriendschap met anderen te leven.**
---
### Stelling 21
**De mens die door rede wordt geleid, is
vrijer in de staat dan in de eenzaamheid.**
---
### Stelling 22
**Het ware nut van de mens vereist samenwerking.**
---
### Stelling 23
**De mens kan niets wensen dat strijdig is
met zijn eigen natuur.**
---
### Stelling 24
**Handelen uit deugd is niets anders dan
handelen volgens de rede.**
---
### Stelling 25
**Niemand streeft uit deugd naar zijn eigen
nadeel.**
---
### Stelling 26
**Wat wij uit rede nastreven, is noodzakelijk
goed.**
---
### Stelling 27
**Wat wij uit rede vermijden, is noodzakelijk
kwaad.**
---
### Stelling 28
**Het hoogste goed van de geest is kennis
van God.**
---
### Stelling 29
**Iets wat noodzakelijk goed is, kan niet
buitensporig zijn.**
---
### Stelling 30
**Niets kan kwaad zijn door wat het gemeen
heeft met onze natuur.**
---
### Stelling 31
**Iets kan alleen kwaad zijn voor ons voor
zover het strijdig is met onze natuur.**
---
### Stelling 32
**Voor zover mensen door affecten worden
beheerst, kunnen zij niet overeenstemmen in natuur.**
---
### Stelling 33
**Voor zover mensen door rede worden geleid,
stemmen zij noodzakelijk overeen.**
---
### Stelling 34
**Voor zover mensen door rede worden geleid,
zijn zij elkaar het nuttigst.**
---
### Stelling 35
**Het hoogste nut van de mens ligt in de
gemeenschap met anderen.**
---
### Stelling 36
**Het hoogste goed van hen die door de rede
worden geleid, is gemeenschappelijk.**
---
### Stelling 37
**Wie onder leiding van de rede leeft, verlangt
voor anderen hetzelfde goede als voor zichzelf.**
---
### Stelling 38
**Wat het lichaam geschikt maakt om op vele
wijzen te worden aangedaan, is nuttig.**
---
### Stelling 39
**Wat het lichaam ongeschikt maakt om op
vele wijzen te worden aangedaan, is schadelijk.**
---
### Stelling 40
**Wat leidt tot blijvende vreugde, is nuttig.**
---
### Stelling 41
**Vreugde kan niet buitensporig zijn.**
---
### Stelling 42
**Droefheid kan nooit goed zijn.**
---
### Stelling 43
**Hoop en vrees zijn in zichzelf geen goede
affecten.**
---
### Stelling 44
**Hoop en vrees zijn tekenen van onmacht.**
---
### Stelling 45
**Haat kan nooit goed zijn.**
---
### Stelling 46
**Wie uit rede leeft, streeft ernaar haat
met liefde te beantwoorden.**
---
### Stelling 47
**Haat wordt vermeerderd door wederhaat en
vernietigd door liefde.**
---
### Stelling 48
**Haat tegen een mens kan nooit absoluut
verdwijnen.**
*(Hier is Spinoza opvallend realistisch.)*
---
### Stelling 49
**Haat wordt vergroot door afgunst.**
---
### Stelling 50
**Medeleven is op zichzelf geen deugd.**
---
### Stelling 51
**Wie door rede wordt geleid, zal zich inspannen
om het leed van anderen te verminderen.**
---
### Stelling 52
**Zelfverachting is geen deugd.**
---
### Stelling 53
**Nederigheid is geen deugd.**
*(Schokkend voor traditionele moraal.)*
---
### Stelling 54
**Berouw is geen deugd.**
---
### Stelling 55
**Arrogantie is geen deugd.**
---
### Stelling 56
**Trots is geen deugd.**
---
### Stelling 57
**Eigenliefde kan noch goed noch slecht zijn
op zichzelf.**
---
### Stelling 58
**Eer is een onzekere vorm van vreugde.**
---
### Stelling 59
**Schroom is geen deugd.**
---
### Stelling 60
**Wrok is geen deugd.**
---
### Stelling 61
**Spot is geen deugd.**
---
### Stelling 62
**Toorn is geen deugd.**
---
### Stelling 63
**Wie door rede wordt geleid, is standvastiger
dan wie door hoop of vrees wordt geleid.**
---
### Stelling 64
**De vrije mens handelt nooit uit bedrog.**
---
### Stelling 65
**De vrije mens denkt minder aan de dood
dan aan het leven.**
---
### Stelling 66
**De vrije mens leeft volgens vaste leefregels.**
---
### Stelling 67
**De vrije mens is moedig, niet roekeloos.**
---
### Stelling 68
**De vrije mens is dankbaar.**
---
### Stelling 69
**De vrije mens haat niemand.**
---
### Stelling 70
**De vrije mens handelt niet uit afgunst.**
---
### Stelling 71
**De vrije mens streeft ernaar anderen vrij
te maken.**
---
### Stelling 72
**De vrije mens leeft in overeenstemming
met zichzelf.**
---
### Stelling 73
**De vrije mens is nooit listig.**
---
Slotbeschouwing
Dit deel is **moreel ontluisterend**, maar
filosofisch eerlijk. Spinoza ontneemt:
* schuld haar heiligheid
* nederigheid haar morele glans
* berouw zijn status als deugd
In ruil daarvoor biedt hij iets anders:
?? **een ethiek zonder zelfhaat**.
Vrijheid is hier geen triomf, maar **een
zeldzame toestand van innerlijke samenhang**.
En slavernij is geen zonde, maar de normale menselijke conditie.
---
In het volgende en laatste antwoord heb ik
**DEEL V – Over de macht van het verstand, of de menselijke vrijheid**
volledig uitgewerkt.
Dat is Spinoza’s stilste, maar ook zijn meest hoopvolle slot.
Dit vijfde deel is het kortste, maar inhoudelijk
het meest geconcentreerde. Hier spreekt Spinoza niet meer over slavernij,
maar over **vrijheid** – zij het in een volstrekt onromantische
zin.
Ik werk het opnieuw **volledig en ordelijk**
uit: definities, axioma’s, daarna **alle 42 stellingen**, zo letterlijk
mogelijk, met minimale toelichting alleen waar Spinoza zelf een scholium
toevoegt.
---
ETHICA – DEEL V Over
de macht van het verstand, of de menselijke vrijheid
(*De potentia intellectus seu de libertate
humana*)
---
Inleiding
Spinoza stelt hier expliciet dat hij **niet**
zal spreken over een vrijheid van de wil, maar over een vrijheid die
bestaat in **het begrijpen van noodzakelijkheid**. Wie dit deel leest
met de verwachting van morele verheffing, zal teleurgesteld raken. Wie
het leest als een oefening in innerlijke helderheid, vindt rust.
---
Axioma’s
1. Indien twee tegengestelde handelingen
mogelijk zijn, moet noodzakelijk één ervan achterwege
blijven.
2. De macht van een effect wordt bepaald door de macht van zijn oorzaak.
---
## Stellingen
### Stelling 1
**Zoals gedachten en ideeën onderling
geordend zijn, zo zijn ook aandoeningen van het lichaam geordend.**
---
### Stelling 2
**Wanneer wij een aandoening van het lichaam
losmaken van de gedachte aan een uitwendige oorzaak en haar verbinden
met andere gedachten, wordt de liefde of haat vernietigd.**
---
### Stelling 3
**Een affect dat een passie is, houdt op
een passie te zijn zodra wij er een helder en onderscheiden idee van
vormen.**
---
### Stelling 4
**Er bestaat geen aandoening van het lichaam
waarvan wij geen helder en onderscheiden idee kunnen vormen.**
---
### Stelling 5
**Een affect kan slechts worden overwonnen
door een sterker affect dat daarmee strijdig is.**
---
### Stelling 6
**Voor zover de geest begrijpt, is zij actief.**
---
### Stelling 7
**Een affect dat uit rede voortkomt, is sterker
dan een affect dat uit verbeelding voortkomt.**
---
### Stelling 8
**Een affect dat uit rede voortkomt, is noodzakelijk
sterker dan een affect dat betrekking heeft op afzonderlijke en contingente
dingen.**
---
### Stelling 9
**Een affect dat betrekking heeft op iets
wat wij begrijpen als noodzakelijk, is sterker dan een affect dat betrekking
heeft op iets wat wij als contingent voorstellen.**
---
### Stelling 10
**Zolang wij dingen niet begrijpen, zullen
wij ze noodzakelijkerwijs als contingent beschouwen.**
---
### Stelling 11
**Een affect dat betrekking heeft op iets
wat wij duidelijk en onderscheiden begrijpen, kan niet buitensporig
zijn.**
---
### Stelling 12
**De geest kan door rede haar aandoeningen
ordenen en verbinden.**
---
### Stelling 13
**De geest kan zichzelf onder het gezichtspunt
van de eeuwigheid beschouwen.**
*(sub specie aeternitatis)*
---
### Stelling 14
**De geest is geschikt om veel dingen onder
het gezichtspunt van de eeuwigheid te begrijpen.**
---
### Stelling 15
**Wie zichzelf en zijn affecten duidelijk
en onderscheiden begrijpt, bemint God.**
---
### Stelling 16
**Deze liefde tot God is noodzakelijk.**
---
### Stelling 17
**God wordt niet door liefde tot mensen bewogen.**
*Scholium:*
God heeft geen passies.
---
### Stelling 18
**Niemand kan God haten.**
---
### Stelling 19
**Wie God liefheeft, kan niet verlangen dat
God hem wederliefheeft.**
---
### Stelling 20
**Deze liefde tot God kan niet door haat
worden vernietigd.**
---
### Stelling 21
**De geest kan niet absoluut worden vernietigd
met het lichaam.**
*(Let op: dit is géén persoonlijke
onsterfelijkheid.)*
---
### Stelling 22
**Er blijft iets eeuwigs van de geest bestaan.**
---
### Stelling 23
**De menselijke geest kan slechts voor zover
zij begrijpt, eeuwig zijn.**
---
### Stelling 24
**Hoe meer de geest dingen onder het gezichtspunt
van de eeuwigheid begrijpt, hoe meer zij deel heeft aan de eeuwigheid.**
---
### Stelling 25
**Het hoogste streven van de geest is het
begrijpen van dingen onder het gezichtspunt van de eeuwigheid.**
---
### Stelling 26
**De geest wordt des te geschikter om dit
te doen naarmate zij meer begrijpt.**
---
### Stelling 27
**Uit deze vorm van begrijpen ontstaat de
hoogste gemoedsrust.**
---
### Stelling 28
**De hoogste vreugde van de geest ontstaat
uit de derde soort kennis.**
---
### Stelling 29
**Deze vreugde is noodzakelijk verbonden
met de liefde tot God.**
---
### Stelling 30
**De geest heeft des te meer macht over affecten
naarmate zij meer begrijpt.**
---
### Stelling 31
**De geest is vrijer naarmate zij meer begrijpt.**
---
### Stelling 32
**Alles wat wij duidelijk en onderscheiden
begrijpen, beschouwen wij als noodzakelijk.**
---
### Stelling 33
**De liefde tot God is de hoogste affectieve
activiteit van de geest.**
---
### Stelling 34
**De geest ondergaat geen passies voor zover
zij begrijpt.**
---
### Stelling 35
**God bemint zichzelf met een oneindige intellectuele
liefde.**
---
### Stelling 36
**De intellectuele liefde van de geest tot
God is een deel van de oneindige liefde waarmee God zichzelf bemint.**
---
### Stelling 37
**Er bestaat niets in de natuur dat strijdig
is met deze liefde.**
---
### Stelling 38
**Hoe meer de geest deze liefde bezit, hoe
minder zij door droefheid wordt aangedaan.**
---
### Stelling 39
**Wie deze liefde bezit, vreest de dood niet.**
---
### Stelling 40
**De vrije mens denkt aan niets minder dan
aan de dood.**
---
### Stelling 41
**De deugd is niets anders dan leven volgens
de rede.**
---
### Stelling 42
**Gelukzaligheid is niet de beloning van
de deugd, maar de deugd zelf.**
*Laatste scholium:*
> “De wijze is nauwelijks door aandoeningen
bewogen, maar is zich altijd bewust van zichzelf, van God en van de
dingen.”
---
Slotbeschouwing
Dit vijfde deel is **stil, ondramatisch en
diep**. Spinoza belooft geen redding, geen hemel, geen voortbestaan
van het ego.
Wat hij wél biedt, is iets zeldzaams: **een manier van leven
waarin angst haar macht verliest**.
Vrijheid is hier:
* geen keuzevrijheid
* geen morele overwinning
* geen heroïsche autonomie
Maar: **inzicht dat samenvalt met vrede**.
Wie dit deel begrijpt, zal niet jubelen.
Maar hij zal ook minder bang zijn.
---
### Tot besluit
U hebt nu, stap voor stap, **de volledige
*Ethica*** doorlopen:
* Deel I: God / Natuur
* Deel II: Geest en lichaam
* Deel III: Affecten
* Deel IV: Slavernij
* Deel V: Vrijheid
De
*Ethica* is geen boek dat men “heeft gelezen”. Het is een
boek dat men **meedraagt**, of naast zich neerlegt omdat het te eerlijk
is.
|