Spinoza en zijn filosofie in de Ethica

Wie was Baruch Spinoza (1632–1677)

Spinoza werd in 1632 in Amsterdam geboren als Baruch d’Espinoza als zoon van uit Portugal gevluchte Joodse ouders. Hij keeg een joods-religieuze opvoeding, maar hij was al op jonge leeftijd kritisch op de joodse tradities en standpunten. Hij werd verbannen uit de Amsterdamse Joodse gemeenschap in 1656 vanwege zijn 'abominabele ketterijen' en 'monsterlijke daden'. De precieze redenen van de verbanning zijn onduidelijk, maar aangenomen wordt dat het ging om zijn kritiek op de autoriteit van de rabbijnen, het verwerpen van de Joodse Tora als het goddelijke woord, en zijn pantheïstische opvatting over God als één met de natuur. Dit leidde tot een banvloek, de zogenoemde 'cherem', die hem voorgoed uitsloot uit de Joodse gemeenschap in Amsterdam. Hij vertrok naar Rijnsburg, waar hij werkt als lenzenslijper en in zijn vrije tijd zijn gedachten uitwerkt en opschrijft. Vanaf toen gaf hij de voorkeur aan de naam: Benedictus e Spinoza. Van 1663 tot 1669 woonde en werkte hij in Voorburg. Hij woonde daar in bij kunstschilder Daniël Tydeman, in de Kerkstraat (ook wel Kerklaan genoemd). Daarna verhuisde hij naar Den Haag.

Huis in Rijnsburg waarin Spinoza van 1661 tot 1663 woonde, nu ingericht als museum

Op deze web pagina is een karakteristiek gegeven van Spinoza's filosofie en zijn afbeeldingen te vinden van het Spinozahuis-museum in Rijnsburg.
Op de volgende web-pagina's zijn weergegeven:
Spinozahuis in Den Haag
Inzicht in emoties volgens Spinoza
Spinoza en het Boeddhisme volgens Han de Wit.
G
oddelijke mystiek (Amor Intellectualis Dei)

Achtergrond en uitgangspunten van de filosofie van Spinoza

De filosofie van Baruch Spinoza is een indrukwekkende poging om een wereldbeeld te construeren waarin God, natuur, mens en ethiek samenvallen in een diepzinnige eenheid.
Net als René Descartes zoekt Spinoza naar absolute zekerheid en denkt die te vinden door het gebruik van het verstand of de rede. Op die manier ontwikkelt hij een idee van God dat sterk verschilt van het heersende godsbeeld van het Christendom en het Jodendom. God is geen schepper die buiten de wereld staat – God ís die wereld, volgens Spinoza.

Ethica

Spinoza voltooide zijn belangrijkste werk de Ethica in Den Haag, waar hij er in alle rust aan kon werken. De vraag die centraal staat in Spinoza’s hoofdwerk was "Hoe leid je een goed en gelukkig leven?" De ondertitel luidt "De Ethica ordine geometrico demonstrata" (Ethiek volgens meetkundige methode bewezen). Achter de strakke vorm schuilt een radicale visie op de werkelijkheid. De Ethica bestaat uit definities, stellingen, axioma’s en proposities. Volgens Spinoza kunnen we pas weten wat geluk is als we weten hoe de werkelijkheid in elkaar zit en hoe we die kunnen kennen. Daarom begint de Ethica met metafysica en het begrip God. De Ethica bestaat uit vijf delen en biedt een rationele analyse van mens, natuur en geluk volgens een geometrische methode.

   

Van links naar rechts: Portret van Spinoza; Lenzenslijpmachine; Spinozakamer in het museum in Rijnsburg

Uitgangspunten volgens Spinoza

Volgens Spinoza's filosofie is het essentieel voor het menselijk geluk om de natuurwetten te kennen.
Er zijn volgens hem drie soorten kennis:

Zintuiglijk niveau (imaginatio); dit is de laagste kennisvorm, gebaseerd op zintuiglijke waarneming en alledaagse ervaring; deze leidt vaak tot verwarring en onwaarheid omdat deze niet voldoende is om natuurwetten te bevatten.

Rationeel niveau. Je kent de wetten der natuur door het gebruiken van het menselijk verstand en door wetenschappelijke en filosofische reflectie op oorzaken en verbanden tussen verschijnselen. Hiermee ontdek je de algemeen geldende regels en beginselen. Het is een hogere vorm van kennis, gebaseerd op logisch denken, het vormen van adequate begrippen en inzicht in oorzaken en gevolgen. De wetten der natuur zijn bij Spinoza kenbaar door rationeel inzicht, wetenschappelijk onderzoek en het overstijgen van vooroordelen en passies door middel van het verstand. Het gaat darbij om het verwerven van kennis over de noodzakelijke samenhang en causaliteit van alles wat bestaat.

Intuïtief niveau; het diepste inzicht, waarbij men uitgaat van het begrip van de essentie van God of de natuur en daaruit direct de werkelijke essentie van dingen afleidt—men begrijpt in één oogopslag wat een ding is, waarom het zo is, en hoe het in het geheel past. Eigenschappen van intuïtieve kennis
• Biedt direct inzicht in de waarheid, zonder tussenkomst van redeneringen.
• Geeft een gevoel van eenheid met de natuur of God, en inzicht in de noodzakelijkheid van alles wat bestaat.
• Maakt een gelukkig leven mogelijk, omdat men de ware orde der dingen begrijpt en zich door deze kennis kan laten leiden.
• Is zeldzaam en moeilijk te bereiken, want het vereist het overstijgen van verwarring en vooroordelen.
Kortom: uitgaande van begrijpelijke, heldere beginselen, maakt de intuïtie het mogelijk om in één beweging de aard en de samenhang van de werkelijkheid te doorzien—dit is de hoogste, meest volledige vorm van weten bij Spinoza.

Natuurwetten

God ofwel de Natuur – “Deus sive Natura”
Spinoza’s meest radicale stelling is dat God en de natuur één en dezelfde zijn. Zijn beroemde formule luidt: Deus sive Natura – “God, dat wil zeggen de Natuur”. Daarmee bedoelt hij de totaliteit van alles wat is. God is voor Spinoza geen Persoon buiten de wereld, maar de innerlijke grond van de wereld zelf. Hij is niet transcendent, maar immanent. God is geen schepper die buiten de schepping staat en deze leidt met een plan, zoals in de joods-christelijke traditie wordt gedacht, maar God is de schepping. Alles wat bestaat, is een expressie van het ene, oneindige, eeuwige, noodzakelijke Zijn – dat Spinoza ‘substantie’ noemt.
Spinoza stelt dat er slechts één oneindige, allesomvattende substantie is, die hij 'God' noemt. God is natuur en omgekeerd is alles wat is in God. Hieruit volgt zijn beroemde definitie van God: Deus sive natura, God oftewel natuur. Spinoza verduidelijkt ook hoe God volgens hem niet begrepen moet worden. Allereerst is God geen magisch wezen die de natuurwetten kanoverstijgen, omdat Hij niet buiten de wereld staat. Daarbij maakt God ook geen plannen, of heeft Hij over iets of iemand een oordeel klaar. De dingen gebeuren alleen omwille van de natuur en diens wetten, zonder doel.

Vrijheid is inzicht in noodzakelijkheid der dingen
Omdat God/natuur alles is wat bestaat, en omdat deze alles via noodzakelijke wetten voortbrengt, is ook alles wat gebeurt volkomen noodzakelijk. Er bestaat geen toeval. Elk ding, elke gedachte, elke handeling vloeit voort uit een oneindige keten van oorzaken. Ook op politiek en sociaal vlak pleit hij voor tolerantie en de vrijheid van meningsuiting, ideeën die in zijn tijd allesbehalve algemeen geaccepteerd zijn. Alleen door kritisch te denken en door vrij met elkaar in debat te gaan kunnen mens en maatschappij optimaal functioneren, zo gelooft Spinoza.
Waar blijft dan de vrije wil van de mens? Spinoza’s antwoord is verrassend: ware vrijheid is niet het ontbreken van oorzaak, maar het begrijpen van oorzaak. Als we inzien waarom we doen wat we doen – als we de innerlijke noodzaak van onze verlangens, passies en neigingen begrijpen – worden we vrij in de zin van zelfkennis. Dan handelen we niet meer als een speelbal van passies, maar uit het inzicht in de orde van het geheel.

Ethisch handelen dat voortkomt uit inzicht brengt geluk
Voor Spinoza is de ethiek dus niet gebaseerd op geboden of verboden, maar op inzicht. Zonde bestaat niet in de klassieke zin, maar is onwetendheid. Goed is wat bijdraagt aan ons vermogen tot denken en leven, kwaad is wat ons belemmert. Het hoogste goed is intellectuele liefde tot God (amor intellectualis Dei): de vreugdevolle aanvaarding van de orde van het geheel, het diepe inzicht dat alles wat gebeurt een uitdrukking is van het goddelijke. Deze liefde is volgens Spinoza een vorm van geluk die ons overstijgt: niet het geluk van genot, maar van vrede. Hij noemt het “zaligheid” (beatitudo), dat is 'het hoogste goed'.
In die zin is Geluk het resultaat van kennis en liefde tot God, d,.w.z. zich niet verztten tegen de orde der dingen maar het inzicht dat alles is en moet zijn zoals het is leidt tot geluk.

Liefde tot God
Sommigen noemen Spinoza de “goddeloze filosoof”, anderen zien in hem een mysticus. Beide benaderingen zijn begrijpelijk. Spinoza verwerpt inderdaad een antropomorfe, persoonlijke God, maar zijn denken ademt een diep spiritueel besef. Hij noemt zijn hoogste inzicht “intellectuele liefde tot God” (Amor Intellectualis Dei), en zijn toon is vaak die van iemand die zich bewust is van een goddelijke orde die met eerbied en verwondering tegemoet getreden moet worden.
 

De inhoud van de Ethica is hier uitgebreid weergegeven.

Enkele termen nader toegelicht

Spinoza gebruikt de volgende termen om zijn ideeen aan te duiden.

1. Substantie - dat is: het ene waar alles uit bestaat, het ene oneindige zijnde dat in zichzelf is en door zichzelf wordt begrepen. Dit noemt hij ook wel God of de Natuur (Deus sive Natura). Al het bestaande is een manifestatie van de ene substantie. Dus niet: God hier en de wereld daar. Nee: de wereld ís God/Natuur.

Voorbeeld: Denk aan de oceaan. Alle golven, stromingen en schuimkoppen zijn verschillend, maar ze zijn niet iets anders dan water. Zo zijn wij, dieren, planten, sterren en gedachten niets anders dan vormen van die ene substantie.

2. Attributen - dat zijn de essentiële eigenschappen waaronder het menselijk verstand, dat wil zeggen: manieren waarop we de substantie ervaren. Hoe de Ene zich aan ons toont. De substantie is oneindig rijk, maar wij mensen kunnen maar twee attributen echt begrijpen, namelijk:
- Uitgebreidheid (alles wat materie, ruimte en lichaam is)
- Denken (alles wat bewustzijn, idee, geest is)

Voorbeeld: Neem een appel. Als je de appel voelt, proeft of meet, ervaar je hem via de materie, via het attribuut uitgebreidheid. Als je er een idee of herinnering van hebt (“een rode appel”), ervaar je hem via het attribuut denken. De appel zelf is niet twee dingen. Het is één manifestatie van de substantie, maar je kunt hem benaderen op verschillende manieren.

3. Conatus; dat is; de allesbepalende drang om te blijven bestaan. Elk ding in de natuur heeft een conatus: een drang om in zijn bestaan te volharden, zich te ontplooien en zich te versterken. Het is als een innerlijke motor die maakt dat een steen zijn vorm behoudt, een boom naar het licht groeit, en een mens probeert gezond en gelukkig te blijven. Dit is volgens Spinoza de kern van de essentie van alles wat bestaat—mensen, dieren, planten en zelfs levenloze dingen hebben allemaal deze innerlijke drang tot zelfbehoud.

Voorbeeld: Een bloem draait mee met de zon: dat is haar conatus, haar levensdrang. Een mens die eet, rust zoekt, liefde wil ervaren, of een ziekte probeert te overwinnen, volgt zijn conatus. Zelfs een idee in je hoofd probeert te blijven bestaan: als je eenmaal iets gelooft, zoek je vaak bevestiging ervan.

Kort samengevat
Substantie = het ene wezenlijke, God/Natuur.
Attributen = de manieren waarop dat ene zich toont (voor ons: denken en uitgebreidheid).
Conatus = de kracht in ieder wezen om te blijven bestaan en zich te ontwikkelen.

Boeken, uitgestald in het Spinoza museum in Rijnsburg. Op de bijbehorende toelichting staat het volgende te lezen:

Linksboven:
Tractatus Theologico-Politicus (1670)
Spinoza wilde hiermee aantonen dat vrijheid van geloven, denken, spreken, schrijven een noodzakelijke voorwaarde is voor het behoud van vrede in het land.Het boek bevat een nieuwe manier van Schriftverklaring (volgens de Rede), een pleidooi tegen bemoeienis vanuit de theologie met staatszaken.

Rechtsboven:
Ethica, opgenomen in de Opera Postuma
Na Spinoza's dood in 1677 gaf zijn uitgever/drukker Jan Rieuwertsz samen met Lodewijk Meyer en Jarig Jelles de voltooide en onvoltooide manuscripten uit. Hierin is Spinoza's Ethica opgenomen naast een selectie uit zijn correspondentie en drie onvoltooide werken. In 1678 werd het boek door de Staten van Holland verboden. Vrienden van Spinoza beschikten al begin 1663 over delen van de tekst, die Spinoza in 1675 drukklaar achtte. De lotgevallen van Adriaan Koerbagh waren voor Spinoza reden om af te zien van publicatie tijdens zijn leven.

Linksonder:
Lodewijk Meyer: Philosophia sanctae scripturae interpres (1666)
In dit anoniem gepubliceerde oorspronkelijk aan Spinoza toegeschreven werk betoogt Lodewijk Meyer dat voor de uitleg van de Bijbel van wijsgerig onderzoek (dus de Rede) moet worden uitgegaan in plaats van de Openbaring. Het boek veroorzaakte grote opschudding in domineesland.

Rechtsonder:
Adriaan Koebargh: Een bloemhof van Allerlei Lieflykheyd Sonder Verdriet (1668)
Onder het mom van een verklarend woordenboek in het Nederlandse spraakgebruik worden in dit boek veel heilige huisjes van wereldlijke en kerkelijke autoriteiten omver geworpen. Het riep veel weerstand op bij wereldlijke en kerkelijke autoriteiten. Het boek verscheen onder Koerbagh's eigen naam, maar er is ook een editie onder het pseudoniem "Vrederijk Waarmond" op de titelpagina. Deze bijzondere uitgave heeft beide titelpagina's.

 

Praktische betekenis van de filosofie van Spinoza

De conatus als fundamenteel begrip; wat houdt conatus precies in?
• Conatus is de Latijnse term voor ‘streven’ of ‘wil tot bestaan’. Bij Spinoza is het niet beperkt tot levende wezens: ieder ding heeft vanuit zijn essentie een kracht (potentia) om zichzelf in stand te houden zolang er geen externe oorzaak is die het vernietigt.
• Essentie: Voor Spinoza valt de essentie van een ding samen met zijn conatus; het is het actieve principe dat maakt dat iets is wat het is en blijft bestaan zolang het kan.
• Menselijk gedrag: Het menselijke streven naar gezondheid, welzijn, en zelfontwikkeling is een directe uitdrukking van de conatus. In de mens komt conatus tot uiting als het zoeken naar geluk, kennis, en macht over de eigen omstandigheden; dit uit zich in zowel lichamelijke als geestelijke inspanningen.
• Natuur en dingen: Zelfs een steen, zolang er geen externe kracht op werkt, blijft ‘uit zichzelf’ waar hij is—dit is de conatus van de steen.
• Emoties: Begeerte (appetitus) en verlangens bij mensen zijn manifestaties van hun conatus om het bestaan te behouden en hun kracht te vergroten.
• Levensdrang: Planten, dieren en mensen ontwikkelen zich, groeien, en beschermen zichzelf omdat hun conatus hen daartoe aanzet; deze drang is universeel in de natuur.

Spinoza stelt dat elke vorm van verlangen – of dat nu verlangen, hoop, wil, passie of drang is – in wezen een uitdrukking is van conatus; het is altijd een beweging richting behoud, versterking of vervulling van het eigen bestaan. Begeerte vormt zo, samen met vreugde (als toename van kracht) en droefheid (als afname van kracht), de basis van alle andere affecten.

Conatus vormt zo het dynamische, levensondersteunende principe van Spinoza’s hele filosofie, zichtbaar in elk aspect van natuur en menselijk bestaan.

Hartstochten (of passies/affecten) zijn voor Spinoza de toestanden waarin het individu passief wordt beïnvloed door externe oorzaken, waardoor het vermogen om te volharden tijdelijk wordt versterkt of verzwakt.

Alle affecten worden gededuceerd uit de drie primaire affecten; begeerte, dat is verlangen voortkomend uit conatus (cupiditas); blijheid, d.w.z. versterking van bestaansvermogen (laetitia); droefheid, d.w.z. verzwakking daarvan (tristitia).
Begeerteaffecten op basis van begeerte: bijvoorbeeld welwillendheid
affecten op basis van blijdschap: bijvoorbeeld liefde
affecten op basis van droefheid: bijvoorbeeld haat

Welbegrepen eigenbelang (conatus) is een fundamenteel principe bij Spinoza, maar het is niet egoïstisch in negatieve zin. Je eigen belang nastreven betekent streven naar zelfbehoud, maar pas als men door de rede handelt, houdt men rekening met anderen, omdat samenwerking uiteindelijk ook het eigen belang dient. Werkelijk nut voor jezelf sluit dus morele en sociale overwegingen niet uit, maar brengt ze samen: de rede leert dat het welzijn van de ander intrinsiek verbonden is met het eigen welzijn. Het eigenbelang vloeit voort uit de conatus, de drang om te overleven. In die zin kun je spreken van 'welbegrepen eigenbelang'.

• Verlossing, Genade, Verzoening
Voor Spinoza volgt verzoening uit aanvaarding van de orde van de natuur en van het eigen gemoed: men wordt vrij door te begrijpen dat alles volgens de noodzakelijke orde verloopt, en dat werkelijke rust komt uit het inzichtelijk relateren tot het geheel. Christelijke termen als genade en verlossing krijgen zo bij Spinoza een rationeel, niet-dogmatisch karakter: het zijn innerlijke toestanden verbonden aan kennis en acceptatie, niet aan geloof in een transcendente God.

Geen vrije wil: Alles, inclusief menselijke wil, wordt door natuurwetten bepaald en verloopt noodzakelijk. Vrijheid is het vermogen om in harmonie te leven met de wetten van de natuur, door rationeel te handelen en de passies te overwinnen. De wetten der natuur zijn bij Spinoza kenbaar door rationeel inzicht, wetenschappelijk onderzoek en het overstijgen van vooroordelen en passies door middel van het verstand.

Geluk door inzicht: Door inzicht te verkrijgen in de noodzakelijkheid van alles en de wetten die het bestaan beheersen, kan men vrij en gelukkig leven; wie de natuur niet kent, leeft volgens Spinoza in verbeelding en dwaling.

Spinoza's passieleer is hier weergegeven.

Passieleer ofwel leer van de affecten

De primaire passies van de mens zijn, zijn zoals eerder weergegeven:

- Begeerte (cupiditas): Het verlangen om in het bestaan te volharden, m.a.w. het streven om zichzelf in stand te houden; begeerte wordt aangedreven door de conatus zoals die bewust wordt ervaren en die gericht is op het fundamentele verlangen om te overleven en zich te versterken.
- Blijdschap (laetitia): Een overgang naar grotere volmaaktheid; een toename van de macht tot handelen, ervaren als plezier of vreugde.
- Droefheid (tristitia): Een overgang naar minder volmaaktheid; een afname van de macht tot handelen, ervaren als pijn, verdriet of neerslachtigheid.

Hieronder drie voorbeelden van concrete situaties met afgeleide affecten, per categorie ingedeeld; deze zijn afgeleid uit zijn Ethica III.

## Begeerte (cupiditas)
- Honger stillen door te eten, als bewuste drang om het lichaam in stand te houden.
- Seksuele aantrekkingskracht naar een partner, gericht op voortplanting en genot.
- Streven naar rijkdom of eer, om sociale status en veiligheid te vergroten.

## Blijdschap (laetitia)
- Ontmoeting met een geliefde vriend, wat de macht tot handelen verhoogt.
- Succes behalen bij een taak, zoals een goede worp bij pétanque, met toename van zelfvertrouwen.
- Muziek beluisteren die inspireert en vitaliteit versterkt.

## Droefheid (tristitia)
- Verlies van een dierbare, leidend tot verminderde vitaliteit en macht.
- Kritiek ontvangen die het zelfbeeld aantast, zoals falen in een spel.
- Ziekte ervaren, die het lichaam verzwakt en handelingsvermogen beperkt.

Afgeleide affecten (passies) zijn bijvoorbeeld:

- Liefde: Blijdschap vergezeld van het idee van een uiterlijke oorzaak; men houdt van datgene waardoor de eigen kracht en vreugde toenemen. (Versterkt de conatus).
- Haat: Droefheid vergezeld van het idee van een uiterlijke oorzaak; men haat wat de eigen kracht en vreugde vermindert. (Verzwakt de conaturs).
- Vrees: De verwachting van toekomstige droefheid; onzekerheid en anticipatie op verlies van macht tot handelen. (Verzwakt de conaturs).
- Jaloezie: Een mengvorm van liefde en haat, wanneer de liefde voor een persoon samengaat met haat jegens een derde van wie men vreest dat die de geliefde afneemt. (Verzwakt de conaturs).

De innerlijke criticus

Je kan flink last hebben van de innerlijke criticus, de afkeurende stem in jezelf. De stem die zegt dat je iets niet goed hebt gedaan. De innerlijke criticus valt volgens Spinoza te interpreteren als een **passieve affect van droefheid (tristitia)**, gekoppeld aan inadequate ideeën en externe oorzaken die de conatus (zelfbehoudskracht) verzwakken.

Als passie van zelfkritiek
- De innerlijke criticus ontstaat uit **inadequate kennis** (verbeelding of mening): men vormt een vertekend zelfbeeld door vergelijking met anderen of idealen, wat leidt tot een afname van handelingsvermogen – dit wordt ervaren als schuld, schaamte of waardeloosheid.
- Voorbeeld: "Ik faalde in dat spel" triggert droefheid omdat het idee van falen extern bepaald is (door sociale normen), niet door rationeel inzicht in oorzaken.

Kortom, de innerlijke criticus is een slavernij-passie; oplossing: de rede maakt hem irrelevant door inzicht in natuurwetten en kan deze zelfs ombuigen en bevrijden door ositieve actie, als volgt:

Oplossing via rede:
- Door **adequate kennis** (rede) transformeert men dit in een actieve affect: erken dat falen een noodzakelijke natuurgebeurtenis is, zonder persoonlijke schuld – de criticus lost op in begrip van conatus als streven, niet naar perfectie.
Als alternatief kan de innerlijke criticus benut worden voor zelfanalyse (zelfreflectie) en zo omgezet worden in positieve actie en versterking van de conatus.
- Praktisch: Analyseer de oorzaak (Ethica III, stelling 7): "Welke externe factor verminderde mijn kracht?" Dit leidt tot acceptatie en versterkte vrijheid.

Door kennis van de oorzaak van de 'mislukking' kan men deze desgewenst verbeteren en versterken en het de volgende keer beter doen! Een 'mislukking' wordt dan gezien als een impuls die kan aanzetten tot groei en is dan geen 'mislukking' meer maar levert groeikracht. Sporters zeggen dan dat ze sterker uit een periode van blessures tevoorschijn komen.

De innerlijke criticus kan bevrijd worden door deze in te zetten voor zelfanalyse en zelfreflectie, ter versterking van de conatus. Een kernpunt is de bewustwording dat je niet de innerlijke criticus bent! De identificatie ermee loslaten, m.a.w.: de-identificeren door inzicht in de werking en het ontstaan ervan, namelijk door vergelijking met anderen of vastzittende dwangmatige 'idealen'.
De angel is er dan uit; als je echt van de negatieve invloeden bevrijd bent kan de innerlijke criticus een aangename vriend worden in plaats van een angstige bedreiging. Je wordt er dan sterker van.
Het is wel zaak om het steeds op te merken wanneer de innerlijke criticus aan het werk is en dan moet je alert zijn om deze zo snel mogelijk uit je systeem uit te bannen. Het kan voldoende zijn om de interne criticus door inzicht te neutraliseren zodat deze oplost. Je hebt er dan geen last meer van. De positieve actie komt dan later wel.

Bevrijdend

Spinoza’s filosofie is streng, maar bevrijdend. Ze verwerpt illusies – over een vrije wil, over een persoonlijke God die ingrijpt in de wereld, over goed en kwaad als absolute morele grootheden – en biedt in ruil daarvoor het inzicht dat alles één is, dat wij deel zijn van een noodzakelijk, goddelijk geheel, en dat ware vrijheid bestaat in het kennen van deze orde en het liefhebben van haar oorsprong. Wie Spinoza leest met het hart én het verstand, ontdekt een diepe innerlijke rust: een soort mystieke of rationele devotie, waarin God niet tegenover ons staat, maar ons omvat.

(Afbeelding gegenereerd door ChatGPT)

 


© 2025 AdH  |  Laatst bijgewerkt: november 2025